Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9065

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
201211300/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Ypenburg De Bras" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211300/1/R4.

Datum uitspraak: 1 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Ypenburg De Bras" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door ir. M. Mulder en ing. D.H.C. Verhoop, en de raad, vertegenwoordigd door drs. M. Houtman en A. Linnartz, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan voorziet in de vervanging van de bestaande bestemmingsplannen voor De Bras door één actueel bestemmingsplan. Binnen het plangebied is één ontwikkeling voorzien, te weten de realisatie van ongeveer 34 woningen ter plaatse van de Gele Lis. Het beroep heeft betrekking op deze ontwikkeling.

Procedureel

2. [appellante] keert zich ertegen dat de verkoop van de bouwkavels aan de Gele Lis is gestart zonder dat inspraak heeft plaatsgevonden.

2.1. De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan tot stand is gekomen volgens de daartoe in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven procedure. Er is geen grond te vinden voor het oordeel dat de raad aanleiding had moeten zien de verkoop van de kavels pas te starten nadat inspraak heeft plaatsgevonden. Deze grond kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Parkeernorm

3. [appellante] voert aan dat er onvoldoende parkeerplaatsen zijn voorzien voor de nieuwe woningen in het plangebied. Er zijn in het verkavelingsplan bij de woningen 35 parkeerplaatsen ingetekend, maar het gemiddelde autobezit is volgens de gemeente in De Bras 1,16 per woning. De wijk bevindt zich bovendien in de randzone, waar volgens de parkeernormen die als bijlage bij de planregels zijn opgenomen, voor een woning met een oppervlakte van 110-160 m2 een norm van 1,3 parkeerplaatsen per woning en 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers geldt. Er zijn dan voor 34 woningen 54 parkeerplaatsen nodig. In het verkavelingsplan worden slechts tien openbare parkeerplaatsen voorzien, zodat het plan voorziet in 45 parkeerplaatsen.

3.1. De raad vermeldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning zullen worden getoetst aan de Haagse parkeernormen die als bijlage bij het bestemmingsplan zijn opgenomen. In de planregels is opgenomen dat per woning ten minste 1 parkeerplaats op eigen terrein moet worden gerealiseerd. In de kavelpaspoorten, waarin de randvoorwaarden van de bebouwing op een kavel zijn vastgelegd, is opgenomen dat bij woningen met een oppervlakte van meer dan 160 m2 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Voor bezoekers worden tien parkeerplaatsen aangelegd in de openbare ruimte. Indien er minimaal 17 woningen worden gerealiseerd van meer dan 160 m2 wordt aan de parkeernormen voldaan, aldus de raad.

3.2. Ingevolge artikel 15, lid 15.4, van de planregels dient per woning ten minste één parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd te worden.

De parkeernormen voor "wonen" die als bijlage bij de planregels zijn opgenomen, zijn voor de rand van de stad, waarbinnen het plangebied is gelegen, 1,3 parkeerplaats per woning met een oppervlakte van 101-160 m2 en 1,5 parkeerplaats per woning met een oppervlakte van meer dan 161 m2. Daarnaast moet 0,3 parkeerplaats per woning worden toegevoegd ten behoeve van bezoekers.

3.3. De Afdeling overweegt dat volgens de planregels ten minste 1 parkeerplaats per woning op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Daarnaast moet worden voldaan aan de parkeernormen die als bijlage bij de planregels zijn opgenomen. [appellante] heeft niet betoogd dat deze parkeernormen niet voldoende zijn om parkeeroverlast te voorkomen. De aanvragen voor omgevingsvergunningen voor het bouwen van de woningen moeten aan deze parkeernormen worden getoetst. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling gewaarborgd dat aan deze normen kan worden voldaan. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de kavelpaspoorten is opgenomen dat bij woningen van meer dan 161 m2 twee parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden aangelegd en dat naar verwachting de meeste woningen groter zullen zijn dan 161 m2. Voorts is ter zitting gebleken dat het voornemen bestaat ook op de gronden met de bestemming "Recreatie" parkeerplaatsen aan te leggen.

Ecologie

4. [appellante] voert aan dat het plangebied is gelegen naast recreatieve gebieden met ecologische waarden, zoals De Delftse Hout/Bieslandse Bos en gebieden op het grondgebied van Delft en Nootdorp. Zij betoogt dat de locatie Gele Lis een bestemming moet krijgen die recht doet aan de ecologische waarden. Daartoe voert zij aan dat de ligging van de woningen aan de rand van het natuurbied de beleving van het natuurgebied verstoort. In de Nootdorpse plassen foerageren volgens haar verschillende soorten vleermuizen en het gebied is onderdeel van een vliegroute. Zij stelt dat de Tweemolentjesvaart die in het verlengde van de Nootdorpse plassen ligt, onderdeel is van de Ecologische Hoofdstructuur. Voorts keert zij zich ertegen dat het plangebied een deel van het volkstuinencomplex benut, terwijl de vraag naar volkstuinen volgens de "Nota Volkstuinen in Den Haag" zal toenemen.

4.1. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Ecologie" aangewezen gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en) als bedoeld in artikel(en) 4, 6, 8, 9, 10, 12, 13, 14 en 15, mede bestemd voor het behoud en bescherming van de ecologische waarden met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde, wegen, groen, water en overige voorzieningen.

Ingevolge lid 16.2 geldt voor het bouwen binnen de bestemming "Waarde - Ecologie" als bedoeld in lid 16.1 dat in afwijking van het bepaalde in de bouwregels van de onderliggende bestemming(en) het niet toegestaan is om ten behoeve van de onderliggende bestemming(en) gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde op te richten ter plaatse van de samenvallende bestemming "Waarde - Ecologie"; dit verbod is niet van toepassing op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut.

Ingevolge lid 16.3 kan het bevoegd gezag afwijken toestaan van het bepaalde in lid 16.2 onder de voorwaarde dat:

a. het bouwen van gebouwen/bouwwerken geen gebouwen zijnde geen afbreuk doet aan het behoud en de bescherming van de ecologische waarde(n);

b. hieromtrent vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij een deskundige op het terrein van de ecologie;

c. de bij de onderliggende bestemming(en) gegeven regels in acht worden genomen.

4.2. Voor zover [appellante] aanvoert dat de woningen voor een deel op de gronden van het volkstuinencomplex wordt gebouwd, mist deze grond feitelijke grondslag. De Afdeling overweegt voorts dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de beleving van het natuurgebied Delftse Hout/Bieslandse Bos, nu ook het voorgaande bestemmingsplan "Ypenburg-Pijnacker III" bebouwing mogelijk maakte. Daarbij betrekt de Afdeling dat op de locatie ten tijde van de vaststelling van het plan een grasveld was gelegen, dat door water en bomen werd gescheiden van de Polder van Biesland. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het gebied vleermuizen foerageren. Vast staat dat het plangebied geen deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur. Voor zover het plangebied is gelegen binnen de stedelijke ecologische verbindingszone, is aan de gronden de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" toegekend. Volgens de planregels kan op deze gronden alleen worden gebouwd indien geen afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de ecologische waarden en schriftelijk advies bij een deskundige wordt ingewonnen. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid het plan in zoverre kunnen vaststellen.

Beleid

5. [appellante] voert aan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan is gehandeld in strijd met het gemeentelijk beleid en met de provinciale structuurvisie.

5.1. [appellante] heeft niet onderbouwd op welke punten de vaststelling van het bestemmingsplan in strijd zou zijn met het gemeentelijk beleid en met de provinciale structuurvisie. Gelet hierop kan deze beroepsgrond niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Speelvoorzieningen

6. [appellante] keert zich ertegen dat het bestemmingsplan niet voorziet in de aanleg van speelvoorzieningen, terwijl in de buurt veel jonge kinderen wonen. Het is volgens haar niet voldoende dat in het gebied Ypenburg aan de norm wordt voldaan. Zij wijst er daarbij op dat het gebied waterrijk is, zodat de jonge kinderen niet zelfstandig naar speelvoorzieningen in omliggende wijken kunnen gaan.

6.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groen(voorziening);

b. park;

c. plantsoen,

één en ander met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde, fiets- en voetpaden, water en overige voorzieningen.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, zijn de voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor

a. voet- en fietspaden;

b. parkeervoorzieningen;

één en ander met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouw zijnde, groen, water en overige voorzieningen.

6.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat binnen de wijk verscheidene speelvoorzieningen aanwezig zijn en dat het recreatiegebied Delftse Hout/Bieslandse Bos, dat aan het plangebied grenst, ook mogelijkheden biedt om te spelen. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid ervan kunnen afzien aan gronden binnen het bestreden plangebied een specifieke bestemming voor speelvoorzieningen toe te kennen.

Bouwintensiteit

7. [appellante] keert zich ertegen dat de bouwintensiteit op de locatie Gele Lis wordt verhoogd. Het bestemmingsplan "Ypenburg - Pijnacker III" voorzag in minimaal 20 en maximaal 26 standplaatsen voor woonwagens. Het thans voorliggende plan voorziet in 34 woningen. Zij voert aan dat haar privacy wordt aangetast en vreest hinder en een toename van het gevaar voor spelende kinderen door de toegenomen gebruiksintensiteit. Zij betoogt dat de toename van de gebruiksintensiteit in strijd is met de Woonvisie 2009-2020 (hierna: de Woonvisie) waarin is vermeld dat de wijk in trek is bij mensen die op zoek zijn naar groen en rust. Zij voert ten slotte aan dat er geen noodzaak is om op grote schaal te bouwen, omdat er al veel huizen in de wijk te koop staan.

7.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het aantal kubieke meter per woning lager is dan hetgeen in het uitwerkingsplan "Ypenburg-Pijnacker III" op deze locatie was toegestaan. De raad vermeldt dat dat plan voorzag in een maximaal grondoppervlak van 120 m2, een maximale bouwhoogte van 5,5 m en een maximale inhoud van 660 m3 per woonwagen, terwijl ook een ontmoetingscentrum was toegestaan met een maximale grondoppervlakte van 105 m2. In het thans voorliggende bestemmingsplan worden op de locatie 34 woningen mogelijk gemaakt met een maximale inhoud van 550 m3, aldus de raad. De raad vermeldt dat deze inhoud wordt verdeeld over twee of drie woonlagen, zodat de grondoppervlakte daarmee varieert van ongeveer 70 en 90 m2. Volgens de raad zal de intensiteit van de bebouwing door de beperking van het maximaal toegestane volume nauwelijks toenemen. De voorgestelde typologie van vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen leidt niet tot een dichtheid die ongebruikelijk is in de wijk, aldus de raad.

7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de privacy van [appellante] aanvaardbaar zijn. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling dat de afstand tussen de bestaande woningen en de nieuw te bouwen woningen minimaal 17 meter is en dat de woningen zijn gesitueerd in stedelijk gebied. De Afdeling betrekt daarbij voorts dat op grond van het bestemmingsplan "Ypenburg-Pijnacker III" reeds bebouwing mogelijk was en dat het maximaal toegestane volume in het onderhavige plan kleiner is dan onder het voorgaande bestemmingsplan. Dat de wijk De Bras volgens de Woonvisie in trek zou zijn bij mensen die op zoek zijn naar groen en rust maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat het plan in strijd is met de Woonvisie. [appellante] heeft naar het oordeel van de Afdeling voorts niet aannemelijk gemaakt dat de toename van de bebouwingsdichtheid zodanige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Evenmin heeft [appellante] ten slotte aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de nieuw te bouwen huizen, gelet op het feit dat de raad onweersproken heeft gesteld dat op bijna alle kavels een optie is genomen.

Versmalling wegen

8. [appellante] voert aan dat de tweerichtingsverkeersweg ter hoogte van Gele Lis 172 tot en met 188 wordt versmald van 5,5 naar 3,8 meter en de eenrichtingsverkeersweg ter hoogte van Gele Lis 156 tot en met 172 van 4,3 naar 3,8 meter. Zij vreest dat de bereikbaarheid van de woningen voor brandweervoertuigen zal afnemen. Daartoe wijst zij erop dat niet wordt voldaan aan de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR, thans Brandweer Nederland) en aan de gewenste afmetingen uit het Handboek Openbare Ruimte van de gemeente.

Zij vreest gevolgen voor de verkeersveiligheid doordat auto’s in het deel van de straat waar tweerichtingsverkeer van toepassing is elkaar niet meer kunnen passeren en achteruit moeten rijden. Ook kunnen de auto’s volgens haar niet meer vooruit de straat oprijden vanaf de oprit. Daarbij komt dat de aanleg van parkeerplaatsen leidt tot een onoverzichtelijke situatie, aldus [appellante]. Zij vreest voorts dat in het eenrichtingsverkeersdeel van de straat tegen het verkeer in zal worden gereden. Er is volgens haar ten slotte sprake van ongelijkheid doordat de huidige straat smaller wordt dan de nieuw aan te leggen straten.

8.1. De Afdeling overweegt dat het plandeel met de bestemming "Verkeer-Verblijfsstraat ongeveer 8 meter breed is. De raad heeft ter zitting meegedeeld dat binnen dit plandeel een weg, parkeerplaatsen en groen zullen worden aangelegd. De raad heeft ter zitting voorts meegedeeld dat in het definitieve schetsontwerp is gekozen voor een wegbreedte van 5 meter. Met deze afstand wordt voldaan aan de door [appellante] genoemde gewenste afmetingen uit het Handboek Openbare Ruimte van de gemeente Den Haag en aan de richtlijnen van de NVBR. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad desondanks niet in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de bereikbaarheid van de woningen voor brandweertuigen voldoende is. Daarbij betrekt de Afdeling dat de brandweer heeft ingestemd met het schetsontwerp.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor de verkeersveiligheid niet zodanig zijn dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe overweegt de Afdeling dat ook nu al sprake is van ten dele tweerichtingsverkeer en ten dele eenrichtingsverkeer en dat niet is gebleken dat dat tot een onveilige situatie heeft geleid. Voorts heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het profiel van de weg niet afwijkt van dat van andere wegen binnen het plangebied en dat ook op andere locaties parkeerplaatsen op de weg aanwezig zijn en dat niet is gebleken dat dat tot onveilige situaties heeft geleid. De Afdeling overweegt ten slotte dat het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsstraat" bij de nieuw te bouwen huizen smaller is dan het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsstraat" aan de huidige straat. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat ook de nieuwe bewoners gebruik zullen maken van de huidige straat, zodat zich in zoverre geen rechtsongelijkheid voordoet.

Bouwhoogte

9. [appellante] keert zich ertegen dat de maximale toegestane bouwhoogte ten opzichte van het bestemmingsplan "Ypenburg - Pijnacker III" is toegenomen van 5,5 m naar 9 m. Hierdoor vermindert volgens haar het uitzicht en de daglichttoetreding. Ook het uitzicht vanuit het recreatiegebied Delftse Hout neemt daardoor af, aldus [appellante].

9.1. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maximaal toegestane bouwhoogte goed aansluit bij de bestaande bouwhoogtes in de wijk en dat deze lager is dan de bouwhoogte van de bestaande woningen aan de Gele Lis. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een onderzoek naar de bezonning niet nodig was in verband met de beperkte bouwhoogte en de afstand tot de bestaande woningen. Daarbij betrekt de Afdeling dat op grond van het voorgaande bestemmingsplan al bebouwing mogelijk was op deze locatie en dat de woningen zijn gelegen in stedelijk gebied.

Uitvoeringsaspecten

10. [appellante] voert aan dat voor diverse kavels uitzonderingen worden gemaakt op de bouweisen. Dit leidt volgens haar tot rechtsongelijkheid en heeft negatieve gevolgen voor de bouwkundige samenhang binnen de wijk. Ook leidt het ertoe dat de overlast van de bouwwerkzaamheden langer voortduurt, aldus [appellante].

[appellante] vreest dat het in geval schade wordt veroorzaakt moeilijk is te achterhalen welke kaveleigenaar hiervoor aansprakelijk is. [appellante] stelt dat de particuliere kavelkopers ten onrechte niet de verplichting is opgelegd zich aan te sluiten bij een collectieve aansprakelijkheidsverzekering.

Ook vreest zij voor overlast en voor de gevolgen van de verkeersveiligheid van het bouwverkeer door de wijk, omdat via de bouwweg volgens haar slechts 12 kavels bereikt kunnen worden.

[appellante] betoogt dat ten onrechte door de keuze voor bouw door particulieren minder strenge eisen ten aanzien van duurzaamheid, materialen, technieken en bouwstijlen kunnen worden gesteld.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan geen betrekking kan hebben op de bouwmaterialen. De raad heeft vermeld dat de uitzonderingen op de bouweisen eveneens betrekking hebben op het materiaalgebruik. De raad bestrijdt dat het bouwverkeer door de wijk zal rijden.

10.2. De Afdeling overweegt dat deze bezwaren geen betrekking hebben op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze bezwaren dienen derhalve buiten beschouwing te blijven.

Conclusie

11. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bijleveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013

433.