Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
201211344/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211344/1/V4.

Datum uitspraak: 26 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 28 november 2012 in zaak nr. 12/35134 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. Petsch, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en E. van Assen, werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar), zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Blijkens het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 6 november 2012 is de vreemdeling die dag tijdens een controle in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (hierna: MTV) als passagier van een autobus staande gehouden op de Parallelweg in de gemeente Maastricht. In het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2012 is onder punt 2 vermeld dat de staandehouding heeft plaatsgevonden op een locatie die is gelegen binnen 20 kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met Duitsland.

In beroep heeft de staatssecretaris bij brief van 21 november 2012 aan de rechtbank toegelicht dat de controle heeft plaatsgevonden binnen een straal van 20 kilometer vanaf de grens met België. In zoverre is sprake van een verschrijving in het proces-verbaal van 6 november 2012. Voor de staandehouding is voorts niet relevant welke grens is overschreden.

3. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het voor de toepassing van artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet van belang is of hij uit de richting van België kwam en dat, nu het proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2012 op dat punt een verschrijving bevat, de staandehouding rechtmatig is.

Daartoe betoogt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat, nu hij de Duits-Nederlandse grens heeft overschreden, hij alleen binnen een zone van 20 kilometer vanaf de Duitse grens kon worden staande gehouden. De vreemdeling leidt dit af uit artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000, bezien in samenhang met het gestelde onder a en b van die bepaling. De afstand tussen de plaats van controle en de landsgrens met Duitsland bedraagt volgens de vreemdeling meer dan 20 kilometer. Voor het oordeel dat het proces-verbaal van 6 november 2012 op dat punt een verschrijving bevat bestaat volgens de vreemdeling geen grond. Gelet hierop is hij van mening dat bij de controle niet is voldaan aan artikel 4.17a, zodat zowel de staandehouding als de inbewaringstelling onrechtmatig is.

4. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren, hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.

Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen, op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met België of Duitsland.

4.1. Voor de vraag of de MTV-controle is uitgevoerd binnen een zone van 20 kilometer vanaf de landsgrens met België of Duitsland is, anders dan de vreemdeling stelt, niet relevant of de vreemdeling Nederland via de grens met België of via de grens met Duitsland is ingereisd.

Zoals uit de overwegingen 3.1. tot en met 3.1.4. van de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2013 in zaak nr. 201208342/1/V4 volgt, dient de MTV-controle weliswaar te zijn gericht op het inreizend verkeer, maar behoeft voor het uitvoeren van een MTV-controle niet vast te staan dat de te controleren persoon daadwerkelijk en onmiddellijk voorafgaand aan de controle de grens heeft overschreden.

Niet in geschil is dat het voertuig waarin de vreemdeling zich ten tijde van de controle bevond, als inreizend verkeer kon worden aangemerkt. Voorts is niet bestreden dat de MTV-controle is uitgevoerd op een locatie, die is gelegen binnen een straal van 20 kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met België. Daarnaast heeft de staatssecretaris ter zitting aan de hand van kaartmateriaal aannemelijk gemaakt dat voormelde locatie geografisch gezien ook binnen een straal van 20 kilometer vanaf de gemeenschappelijke landsgrens met Duitsland is gelegen. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat aan artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 is voldaan.

4.2. De grief faalt. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

5. Het hoger beroep is ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Bakker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013

393.