Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9010

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
201301518/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301518/2/R4.

Datum uitspraak: 23 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Voorschoten,

en

de raad van de gemeente Voorschoten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 april 2013, waar [verzoeker] in persoon en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.J. Engelbert-Medendorp, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het verzoek van [verzoeker] heeft betrekking op het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" voor zover het betreft het perceel Voorstraat 19/21. Hij wenst ter plaatse een horeca-inrichting te vestigen en voert aan dat het plan daarin ten onrechte niet voorziet.

3. Vast staat dat bij het plan op het perceel horeca niet bij recht is toegestaan. Onder bepaalde voorwaarden kan wel door middel van een wijzigingsbevoegdheid de bestemming "Dienstverlening" worden gewijzigd in de bestemming "Horeca".

Niet in geschil is dat het vorige plan mede voorzag in enige vorm van horeca op het perceel. Volgens de raad ging het daarbij om horeca van ondergeschikte aard.

Indien de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening over zou gaan tot schorsing van het genoemde plandeel, zou de planregeling uit het vorige plan voor deze gronden herleven. Dit betekent dat indien [verzoeker] een omgevingsvergunning voor bouwen zou aanvragen ten behoeve van de exploitatie van een horecagelegenheid op het perceel en de ingediende aanvraag in overeenstemming is met de regels van dat plan, er planologisch gezien geen weigeringsgrond aanwezig is en het college van burgemeester en wethouders in zoverre zou zijn gehouden om de omgevingsvergunning te verlenen. Hier komt bij dat door [belanghebbende] eveneens beroep is ingesteld tegen het in geding zijnde plandeel en hij in zijn beroepschrift onder andere aanvoert dat het plan ten onrechte voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een horecagelegenheid op dit perceel. Inwilliging van het verzoek zou met zich kunnen brengen dat [belanghebbende] nog voor de behandeling van zijn beroep in de hoofdzaak voor een voldongen feit kan komen te staan.

Gelet hierop acht de voorzitter bij afweging van de betrokken belangen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening te verstrekkend.

4. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2013

45-656.