Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
201205074/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205074/1/V3.

Datum uitspraak: 22 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 april 2012 in zaak nr. 11/32006 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 april 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In grief 1, voor zover thans van belang en gelezen in samenhang met grief 8, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat, kort gezegd, de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde traumatabeleid, omdat hij heeft verklaard dat hij vrijwillig is teruggekeerd naar Irak. Daartoe betoogt de vreemdeling dat hij heeft verklaard dat hij niet vrijwillig is teruggekeerd naar Irak maar dat hij daartoe werd gedwongen. Hij is vanuit Griekenland teruggekeerd naar Irak omdat zijn leven in Griekenland wegens een behandeling die in strijd was met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) onhoudbaar was geworden en hij is vervolgens al na enkele dagen opnieuw uit Irak vertrokken, aldus de vreemdeling.

2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Volgens paragraaf C2/4.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals die luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, dient voor een geslaagd beroep op het traumatabeleid aannemelijk te zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken asielzoeker binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten.

Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten.

Volgens paragraaf C2/4.2.3, zoals die luidde ten tijde van belang, kunnen onder meer de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten en de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden, wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en de betrokkene, aanleiding geven tot verblijfsaanvaarding.

2.2. Blijkens de met de vreemdeling gehouden gehoren heeft hij in juli of augustus 2007 Irak voor de eerste keer verlaten. Op 3 december 2007 heeft hij in Griekenland een asielaanvraag ingediend. Omdat hij in Griekenland geen opvang kreeg en omdat hij ernstig ziek was is de vreemdeling in januari 2008 teruggekeerd naar Irak. Na ongeveer vijf dagen heeft de vreemdeling Irak opnieuw verlaten.

2.3. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard omdat de staatsecretaris de gebeurtenissen waarover de vreemdeling heeft verklaard, te weten over het doodschieten van twee neven van zijn vader, over de autobom waardoor de vier ooms van zijn moeder en zijn neef zijn gedood en over zijn vriend die in zijn hand is geschoten, geloofwaardig heeft geacht en de staatssecretaris zich niet zonder nadere motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gebeurtenissen waarover de vreemdeling heeft verklaard niet zijn te herleiden tot de in paragraaf C2/4.2.3. van de Vc 2000 opgesomde gebeurtenissen. Naar aanleiding van het door de staatssecretaris ter zitting ingenomen standpunt, dat de ratio van het traumatabeleid is dat in gevallen waar een gebeurtenis als traumatisch wordt ervaren niet van een vreemdeling verlangd kan worden terug te keren naar het land van herkomst en dat hij, nu de vreemdeling vrijwillig is teruggekeerd naar Bagdad, derhalve geen reden ziet hem op de voet van dat beleid een verblijfsvergunning te verlenen, heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

2.4. In het besluit noch ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet binnen zes maanden na de traumatiserende gebeurtenissen voor de eerste keer Irak heeft verlaten. Aldus geldt op grond van het hiervoor onder 2.1. weergegeven beleid de aanname dat deze gebeurtenissen voor de vreemdeling aanleiding zijn geweest Irak te verlaten.

2.5. In de gronden van zijn beroep heeft de vreemdeling onder meer betoogd dat in het besluit niet is bestreden dat de reden van zijn korte terugkeer naar Irak was gelegen in het ontkomen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Voorts heeft hij in de zienswijze, die in het beroep als herhaald en ingelast is beschouwd, gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, nr. 30696/09 (www.echr.coe.int.; hierna: het arrest in de zaak M.S.S.) en betoogd dat dat arrest aanleiding is geweest voor de staatssecretaris om de behandeling van zijn asielverzoek aan zich te trekken. In de zienswijze heeft de vreemdeling voorts betoogd dat hij niet in Griekenland kon blijven omdat hij daar onmenselijk en vernederend werd behandeld als bedoeld in artikel 3 EVRM en dat hij geen andere optie had dan (kort) terug te keren naar Irak.

2.6. Door de staatssecretaris is niet weersproken dat de vreemdeling is teruggekeerd naar Irak vanwege een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling in Griekenland, welke behandeling bovendien overeenkomt met de in het door de vreemdeling ingeroepen arrest in de zaak M.S.S. vastgestelde feiten. Gelet hierop heeft de rechtbank niet onderkend dat van een vrijwillige terugkeer naar Irak geen sprake is geweest, maar dat de vreemdeling zich daartoe door de situatie in Griekenland gedwongen voelde en dat die terugkeer slechts kortstondig van aard was. De vreemdeling betoogt derhalve terecht dat de rechtbank in zijn terugkeer naar Irak ten onrechte aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.7. Grief 1 in zoverre en grief 8 slagen.

3. Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het bij haar bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 27 april 2012 in zaak nr. 11/32006, voor zover zij daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 7 september 2011, kenmerk 0805-27-1187, in stand heeft gelaten;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Vonk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2013

345