Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
201200310/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 1 april 2011 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 85
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/227 met annotatie van dr. G.N. Cornelisse
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200310/1/V2.

Datum uitspraak: 9 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] (tezamen hierna: de vreemdelingen),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 9 december 2011 in zaken nrs. 11/13956 en 11/13957 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 1 april 2011 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 9 december 2011 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In de zaak van vreemdeling 1

1. Hetgeen in het hogerberoepschrift door vreemdeling 1 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door vreemdeling 1, is kennelijk ongegrond.

In de zaak van vreemdeling 2

3. Uit de door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie overgelegde, door vreemdeling 2 ondertekende vertrekverklaring blijkt dat zij op 27 juni 2012 met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie vanuit Nederland is vertrokken naar haar land van herkomst, Armenië. Nu vreemdeling 2 vrijwillig is vertrokken naar haar land van herkomst, stelt zij kennelijk geen prijs meer op de door haar aanvankelijk gezochte bescherming hier te lande. Aldus heeft vreemdeling 2 geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep.

4. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door vreemdeling 2, is kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door vreemdeling 2, niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.

w.g. Van Eck w.g. Yildiz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013

594.