Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8728

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
201302509/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302509/1/V3.

Datum uitspraak: 12 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 maart 2013 in zaak nr. 13/05361 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 maart 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staandehouding onrechtmatig is geweest, omdat aan een discussie tussen de vreemdeling met een onbekend gebleven man over een telefoon geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden ontleend. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 24 februari 2013 (hierna: het proces-verbaal van 24 februari 2013) blijkt dat de verbalisanten belast waren met een speciale opdracht inzake het bestrijden van overlast voortvloeiend uit straatcriminaliteit, zij de vreemdeling in het kader van de uitvoering van algemene politietaken hebben verzocht een legitimatiebewijs te tonen en eerst naar aanleiding van de reactie van de vreemdeling daarop bij de verbalisanten een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is ontstaan.

2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 juli 2001 in zaak nr. 200102650/1, JV 2001/234), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.

2.1. Uit het proces-verbaal van 24 februari 2013 blijkt het volgende:

"Op zaterdag 23 februari 2013 omstreeks 23:45 uur bevonden wij ons in burgerkleding en met speciale opdracht belast in de Oudebrugstraat te Amsterdam, ter hoogte van de Warmoesstraat. De speciale opdracht bestond uit het bestrijden van overlast voortvloeiend uit straatcriminaliteit.

(…)

Ik (…) zag dat voornoemde onbekende man tegen de vreemdeling begon te roepen in de Engelse taal dat het zijn telefoon was en dat hij deze terug wilde hebben.

(…)

Ik (…) vermoedde dat de vreemdeling de telefoon had gestolen gezien de feiten en omstandigheden.

(…)

Vervolgens hielden wij de vreemdeling gezien de feiten en omstandigheden staande en vroegen hem naar zijn personalia en een geldig legitimatiebewijs. Wij hoorden dat de vreemdeling zei: "Ik heb niets bij mij waar mijn naam op staat, mijn paspoort is weg, ik heb alleen een bonnetje met mijn naam er op". Wij zagen dat de vreemdeling zenuwachtig heen en weer bewoog en snel om zich heen keek. Ik (…) vroeg vervolgens aan de vreemdeling of hij überhaupt wel een legitimatiebewijs had en hoorde dat de vreemdeling verklaarde dat hij die niet had. Ik (…) vroeg de vreemdeling of hij een Nederlands paspoort had en hoorde dat de vreemdeling verklaarde dat hij die niet had. Ik (…) vroeg de vreemdeling of hij legaal of illegaal in Nederland verbleef waarop de vreemdeling verklaarde dat hij illegaal in Nederland verbleef maar niet ongewenst vreemdeling was."

2.2. Uit het proces-verbaal, zoals hiervoor onder 2.1. weergegeven, blijkt genoegzaam dat de vreemdeling in het kader van de uitvoering van algemene politietaken en niet in het kader van de uitoefening van bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden is verzocht een legitimatiebewijs te tonen. Niet is gesteld dat een daartoe bevoegde rechter de onrechtmatigheid van de aanwending van de in het kader van de algemene politietaak toegekende bevoegdheden heeft vastgesteld.

De informatie die de vreemdeling vervolgens vrijwillig aan de verbalisanten heeft verschaft, rechtvaardigt het, naar objectieve maatstaven gemeten, redelijk vermoeden van illegaal verblijf op grond waarvan de vreemdeling krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 kon worden staande gehouden. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 24 februari 2013 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat hij in strijd met artikel 22 van de Ambtsinstructie voor de Koninklijke marechaussee, de politie en andere opsporingsambtenaren (hierna: de Ambtsinstructie) geboeid naar het politiebureau is vervoerd, nu daarvoor onvoldoende gronden waren.

4.1. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2013 volgt dat de handboeien zijn aangelegd op het moment dat de vreemdeling rechtens zijn vrijheid was ontnomen.

In voormeld proces-verbaal staat vermeld dat de verbalisanten de vreemdeling hebben geboeid omdat zij in burger waren, het gelet hierop niet voor iedereen duidelijk is dat men met de politie van doen heeft en hun kansen afwegen, zij zich in een door de burgemeester aangewezen noodgebied bevonden, zij hebben waargenomen dat de vreemdeling zich voorafgaande aan de staandehouding agressief gedroeg tegenover anderen en zij uit ervaring weten dat personen die zich niet direct kunnen legitimeren bij staandehouding kansen zoeken om weg te komen.

4.2. Uit voormeld proces-verbaal valt genoegzaam af te leiden dat in het geval van de vreemdeling sprake was van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 22, tweede en derde lid, van de Ambtsinstructie en dat de handboeien zijn aangebracht uit veiligheidsoverwegingen en in verband met mogelijk vluchtgevaar van de vreemdeling. De handboeien zijn dan ook in overeenstemming met de Ambtsinstructie aangelegd.

De beroepsgrond faalt.

5. Aan de maatregel van bewaring is ten grondslag gelegd dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, alsook dat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, hetgeen is gebleken uit de feiten en omstandigheden dat de vreemdeling:

(a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

(b) zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen heeft gehouden als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000);

(c) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

(d) niet dan wel onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit

(e) zich zonder noodzaak heeft ontdaan van reis- of identiteitsdocumenten;

(f) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

(g) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

(h) arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

5.1. De vreemdeling heeft betoogd dat de gronden onvoldoende zijn om de maatregel te dragen. Aangezien hem niet is gevraagd op welke wijze hij Nederland is binnengekomen, kan hem dit niet worden tegengeworpen. Voorts blijkt uit het dossier niet dat hem eerder is aangezegd Nederland te verlaten en kan evenmin worden gesteld dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, aangezien deze vaststaan. Evenmin valt volgens de vreemdeling uit het dossier af te leiden dat hij zich heeft ontdaan van zijn documenten, nu hij zijn paspoort niet heeft vernietigd maar heeft verloren. Ook wordt ten onrechte gesteld dat hij over onvoldoende middelen beschikt, omdat hij geld verdient door te werken in de bouw. Dat dit werk in strijd is met de Wav mag hem niet worden aangerekend. Gelet op het vorenstaande valt niet in te zien waarom hem geen meldplicht kon worden opgelegd.

5.2. De gronden onder (b) en (f) worden niet bestreden. Uit het formulier Politiesuite Handhaving Vreemdelingen (hierna: PSH-V) volgt voorts dat de vreemdeling op 2 januari 2006 een aanzegging heeft ontvangen Nederland te verlaten. Niet is gebleken dat de vreemdeling hieraan heeft voldaan, zodat de grond onder (c) terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Gelet hierop bestaat voldoende grond om aan te nemen dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

De vreemdeling heeft voorts geen bijzondere feiten of omstandigheden aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke belangen die inbewaringstelling onevenredig maken. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling betoogt verder dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt inzake zijn uitzetting, nu onduidelijk is of de aanvraag om verlening van een laissez passer (hierna: de lp-aanvraag) reeds is doorgezonden aan de autoriteiten van Suriname. Ook is het onduidelijk waarom de uitzettingshandelingen tijdens de bewaring in 2006 niet tot resultaat hebben geleid, nu deze stukken zich niet in het dossier bevinden. Voor een goede beoordeling is het noodzakelijk dat bekend wordt wat er toen mis is gegaan en of dit zich thans eveneens voordoet.

6.1. Op 1 maart 2013 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en is een lp-aanvraag ingevuld en verzonden naar de lp-kamer. Dat onbekend is of de lp-aanvraag thans is doorgezonden aan de Surinaamse autoriteiten laat onverlet dat aldus geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Voorts volgt uit het PSH-V dat de bewaring van 2006 is opgeheven omdat destijds het zicht op uitzetting ontbrak. Niet is gesteld dat deze situatie zich thans ook voordoet.

De beroepsgrond faalt.

7. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 24 februari 2013 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 maart 2013 in zaak nr. 13/05361;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013

347-765.