Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
201200689/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9549, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200689/1/V2.

Datum uitspraak: 2 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 21 december 2011 in zaak nr. 10/29220 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 december 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor Immigratie en Asiel een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris betoogt in grief 1 dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn oppositionele activiteiten in Nederland in de verhoogde belangstelling is komen te staan van de Wit-Russische autoriteiten. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris aldus niet onderkend dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat er een rechtsgrond voor vergunningverlening bestaat en dat hij daarin niet is geslaagd.

2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Het is derhalve aan de desbetreffende vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken.

2.2. In het besluit van 26 juli 2010, en het daarin ingelaste voornemen daartoe, zoals toegelicht in het verweerschrift, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Wit-Russische autoriteiten ervan op de hoogte zijn geraakt dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties voor de Wit-Russische ambassade in Den Haag en met naam en foto vermeld staat in de artikelen die gepubliceerd zijn in het Noord-Hollands Dagblad en het Straatjournaal. Daartoe heeft de staatssecretaris uiteengezet dat uit de overgelegde foto's van demonstraties en artikelen louter blijkt dat de vreemdeling zich in Nederland tegen de Wit-Russische autoriteiten heeft uitgesproken en hier te lande activiteiten heeft ontplooid. Uit die stukken blijkt geenszins dat de Wit-Russische autoriteiten hiervan op de hoogte zijn geraakt. Uit de door de vreemdeling overgelegde brieven van zijn ouders en voormalige buurvrouw, waarin staat dat de autoriteiten bij hen aan de deur zijn geweest en daarbij belangstelling voor de vreemdeling toonden, kan die conclusie evenmin worden getrokken, reeds omdat de brieven niet afkomstig zijn uit een objectieve bron. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de vreemdeling, dat de Wit-Russische autoriteiten op de hoogte zijn van zijn deelname aan de demonstraties doordat vertegenwoordigers van de Wit-Russische ambassade ingehuurde spionnen zijn die tijdens de demonstraties foto's van demonstranten maken, op geen enkele wijze is onderbouwd en louter op speculaties is gebaseerd. De omstandigheid dat de door de vreemdeling overgelegde rapporten over Wit-Rusland beschrijven hoe in dat land wordt opgetreden tegen opposanten, maakt volgens de staatssecretaris niet dat hieruit de conclusie kan worden getrokken dat de Wit-Russische autoriteiten een bijzondere aandacht voor de vreemdeling hebben, aangezien deze rapporten geen betrekking hebben op zijn persoon. Voorts komt uit die rapporten naar voren dat de Wit-Russische autoriteiten het internet in de gaten houden, maar de activiteiten van de vreemdeling in Nederland zijn dermate marginaal gebleken dat zijn vermoeden dat hij door het verrichten van die activiteiten de aandacht van de autoriteiten op zich heeft gevestigd niet aannemelijk is, aldus de staatssecretaris.

2.3. Door te overwegen dat niet onaannemelijk is dat vertegenwoordigers van de Wit-Russische ambassade in Den Haag beschikken over beeldmateriaal waarop te zien is dat de vreemdeling deelneemt aan demonstraties en niet is uit te sluiten dat de Wit-Russische autoriteiten, doordat zij het internet en de landelijke media nauwlettend in de gaten houden, aan de hand van dergelijk beeldmateriaal de vreemdeling hebben kunnen achterhalen en kennis hebben kunnen nemen van het in het Noord-Hollands Dagblad gepubliceerde artikel waarin hij met naam en foto staat vermeld, heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdeling er niet in is geslaagd de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden tegenover de staatssecretaris aannemelijk te maken. De staatssecretaris heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat, nu uit de door de vreemdeling overgelegde stukken, voor zover deze afkomstig zijn uit een objectieve bron en betrekking hebben op zijn persoon, louter blijkt dat hij in Nederland oppositionele activiteiten heeft verricht en voorts nergens uit kan worden opgemaakt dat vertegenwoordigers van de Wit-Russische ambassade foto's van demonstranten, en dus ook van de vreemdeling, hebben gemaakt, niet aannemelijk is dat hij door het verrichten van die activiteiten in de verhoogde belangstelling is komen te staan van de Wit-Russische autoriteiten.

Grief 1 slaagt.

3. In de grieven 2 en 3 betoogt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank zich ten onrechte gesteld heeft gezien voor de vraag of de deelname van de vreemdeling aan demonstraties voor Wit-Russische ambassade in Den Haag en de publicatie van artikelen over hem, bezien in het licht van de algemene informatie over Wit-Rusland, voldoende grond bieden voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap dan wel op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Reeds omdat de vreemdeling, gelet op het overwogene onder 2.3, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de door hem verrichte oppositionele activiteiten in Nederland in de verhoogde belangstelling is komen te staan van de Wit-Russische autoriteiten, heeft de staatssecretaris zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat evenmin aannemelijk is dat de vreemdeling wegens het verrichten van die activiteiten bij terugkeer naar Wit-Rusland te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De grieven 2 en 3 slagen evenzeer.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van 26 juli 2010 alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 21 december 2011 in zaak nr. 10/29220;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2013

549.