Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
201301780/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2013 is ten aanzien van de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301780/1/V4.

Datum uitspraak: 4 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 februari 2013 in zaak nr. 13/3831 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2013 is ten aanzien van de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel toegepast, die nadien is voortgezet. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 19 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft zij daarbij de Afdeling verzocht haar schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In haar enige grief klaagt de vreemdeling, zakelijk weergegeven en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2012 in zaak nr. 201205224/1/V4, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen grond bestond voor het voortzetten van de vrijheidsontnemende maatregel na de afwijzing van haar asielaanvraag.

1.1. De vreemdeling bestrijdt niet de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming gedurende de periode dat zij in afwachting was van de beslissing op haar asielaanvraag. Het hiernavolgende heeft daarom alleen betrekking op de periode na het besluit van 14 februari 2013 waarbij de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen.

1.2. Met het afwijzende besluit van 14 februari 2013 op haar asielaanvraag is het rechtmatig verblijf van de vreemdeling geëindigd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer voormelde uitspraak van 17 augustus 2012 is daarmee, gelet op artikel 2, eerste lid, daarvan, Richtlijn 2008/115/EG van de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) op haar van toepassing geworden.

1.3. In voormelde uitspraak van 17 augustus 2012 heeft de Afdeling voorts overwogen dat artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn, voor zover het de oplegging en voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 betreft, met de artikelen 5.1a en 5.1b van het Vb 2000 niet is geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 december 2011 in zaak nr. 201108418/1/V4, betekent dit dat zolang de wetgever niet tot implementatie is overgegaan, een vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 alleen kan worden opgelegd en voortgezet indien de betrokken vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn.

Bij de beoordeling of de vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die hebben geleid tot het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel, alsmede van de omstandigheden op grond waarvan is besloten de maatregel voort te zetten. Hierbij moet rekening worden gehouden met de toelichting die de staatssecretaris, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, op deze omstandigheden heeft gegeven en, in samenhang daarmee, met hetgeen hieromtrent uit het dossier van de vreemdeling valt af te leiden.

1.4. De vreemdeling is op 1 februari 2013 de toegang geweigerd omdat zij niet in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding en zij niet beschikte over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van haar reis naar een plaats buiten Nederland waar haar toegang gewaarborgd is. Onder verwijzing naar de toegangsweigering is de vreemdeling vervolgens de maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 opgelegd. In voormeld besluit van 14 februari 2013, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen van 12 februari 2013, heeft de staatssecretaris, ter motivering van het voortzetten van deze vrijheidsontnemende maatregel, onder meer verwezen naar het grensbewakingsbelang en de omstandigheden dat de vreemdeling niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden van artikel 5, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen en haar asielaanvraag is afgewezen.

Deze feiten en omstandigheden bieden op zichzelf noch in onderling verband grond voor het oordeel dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Niet is immers gebleken dat hiermee sprake is van een handelen of nalaten door de vreemdeling dat rechtstreeks verband houdt met het belemmeren of ontwijken van de voorbereiding van de terugkeer dan wel de verwijderingsprocedure. Daartoe is van belang dat niet in geschil is dat, alhoewel zij dit niet heeft gebruikt om toegang tot Nederland te verkrijgen, de vreemdeling beschikt over een authentiek paspoort van haar land van herkomst.

1.5. In veel gevallen waarin een vreemdeling de toegang is geweigerd, zal het grensbewakingsbelang grond kunnen bieden voor de conclusie dat een risico op onderduiken bestaat. In gevallen waarin de Terugkeerrichtlijn van toepassing is, kan het grensbewakingsbelang op zichzelf echter niet aan een vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 ten grondslag worden gelegd, zolang artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn voor dergelijke maatregelen niet in nationale wetgeving is geïmplementeerd.

1.6. Gelet op het voorgaande bestond na het besluit van 14 februari 2013 geen grond om de aan de vreemdeling opgelegde vrijheidsontnemende maatregel te laten voortduren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 1 februari 2013 alsnog gegrond verklaren.

3. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 14 februari 2013 tot 13 maart 2013, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 19 februari 2013 in zaak nr. 13/3831;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.160,00 (zegge: tweeduizend honderdzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2013

574.