Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
201200977/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200977/1/V1.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 december 2011 in zaak nr. 11/24629 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 december 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, (hierna: de aanvraag) worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: het mvv-vereiste).

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder l, is van het mvv-vereiste vrijgesteld een vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

Ingevolge het vierde lid kan de staatssecretaris het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

3. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij door in het besluit van 1 juli 2011 bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in aanmerking te nemen dat de vreemdeling als enige het gezag heeft over haar zoon (hierna: het kind), zij het kind verzorgt en het kind vrijwel geen contact heeft met zijn vader (hierna: de vader), zodat het kind niet gebonden is aan Nederland en met haar mee kan naar haar land van herkomst, ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom een gedwongen vertrek van de vreemdeling naar haar land van herkomst, onder voormelde omstandigheden, niet betekent dat het kind zijn aan artikel 20 van het VWEU ontleende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven, wordt ontzegd. De staatssecretaris voert hiertoe aan dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de aan artikel 8 van het EVRM en artikel 20 van het VWEU ten grondslag liggende beoordelingskaders verschillend zijn. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat de vreemdeling aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, zaak C-34/09 (www.curia.europa.eu; hierna: het Zambrano-arrest) geen verblijfsaanspraak kan ontlenen, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het kind niet bij de vader, die in Nederland woont, kan verblijven, zodat de weigering haar verblijf toe te staan niet met zich brengt dat het kind wordt verplicht Nederland te verlaten.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. 201102780/1/V1) volgt uit het arrest van 15 november 2011, C-256/11, Dereci e.a., (www.curia.europa.eu; hierna: het Dereci-arrest), waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het Zambrano-arrest, dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punten 68 en 69 van het Dereci-arrest, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie-, en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het EVRM, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vw 2000.

Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de staatssecretaris van de, gelet op artikel 4:2 van de Awb, door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.

3.2. Het kind bezit de status van burger van de Unie (punt 63 van het Dereci-arrest), zodat hij zich, ook ten opzichte van de lidstaat Nederland, op de bij die status behorende rechten kan beroepen.

3.3. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 1 november 2012 in zaak nr. 201200665/1/V1 en 20 december 2012 in zaak nr. 201200899/1/V1 dient, gelet op het onder 3.1 overwogene, de vraag of de weigering van de staatssecretaris om aan de vreemdeling in Nederland verblijf toe te staan tot gevolg heeft dat het kind zijn aan artikel 20 van het VWEU ontleende recht op het grondgebied van de Unie te verblijven, wordt ontzegd, te worden onderscheiden van de vraag of het in artikel 8 van het EVRM vervatte recht op bescherming van het gezinsleven de staatssecretaris noodzaakt tot het toestaan van een verblijf van de vreemdeling hier te lande. Nu de vreemdeling een beroep heeft gedaan op het Zambrano-arrest, had de rechtbank dan ook moeten toetsen of het kind zodanig van de vreemdeling afhankelijk is dat hij als gevolg van voormelde weigering geen andere keus heeft dan met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven.

In dat licht bezien, heeft de rechtbank niet onderkend dat het in het besluit van 1 juli 2011 ingenomen standpunt van de staatssecretaris over artikel 8 van het EVRM op zichzelf beschouwd niet tegenstrijdig is met het standpunt van de staatssecretaris dat het beroep op het Zambrano-arrest faalt omdat het kind bij de vader kan verblijven, zoals de staatssecretaris nader heeft toegelicht in hoger beroep. De toelichting van de staatssecretaris in het besluit van 1 juli 2011 op het eerst vermelde standpunt inhoudende dat er vrijwel geen contact is met de vader, zodat het kind niet gebonden is aan Nederland en mee terug zou kunnen naar het land van herkomst van de vreemdeling, moet zo worden begrepen dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven met het kind in het land van herkomst van de vreemdeling uit te oefenen. Voormelde toelichting brengt, anders dan de rechtbank heeft verondersteld, niet met zich dat daarmee reeds aannemelijk is dat het kind geen andere keus heeft dan met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven.

Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat het beroep van de vreemdeling op het Zambrano-arrest faalt. Daartoe is van belang dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het kind niet bij de vader, die in Nederland woont, zou kunnen verblijven. Hoewel in hoger beroep onbestreden is dat de vader niet het - al dan niet gezamenlijk - ouderlijk gezag over het kind uitoefent, heeft de vreemdeling evenmin aannemelijk gemaakt dat de vader niet - mede - met dit gezag kan worden belast. Anders dan de vreemdeling heeft aangevoerd, heeft zij dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het kind dusdanig van haar afhankelijk is dat hij als gevolg van de weigering van de staatssecretaris haar in Nederland verblijf toe te staan, geen andere keus heeft dan met haar het grondgebied van de Unie te verlaten.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 1 juli 2011 getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

5. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule.

Hetgeen de vreemdeling hiertoe heeft aangevoerd over het niet kunnen verkrijgen van geldige reisdocumenten voor toegang tot haar gestelde land van herkomst, Zimbabwe, faalt reeds omdat de staatssecretaris zich in de besluiten van 15 april 2010 en 1 juli 2011 terecht op het standpunt heeft gesteld dat het op haar weg ligt om haar nationaliteit en identiteit aan te tonen, dat zij daarin niet is geslaagd en dat derhalve niet kan worden aangenomen dat zij niet naar haar land van herkomst of een derde land kan reizen.

Hetgeen de vreemdeling verder heeft aangevoerd over de redenen waarom zij en het kind zich niet zullen kunnen handhaven in Zimbabwe faalt eveneens reeds hierom.

De beroepsgrond faalt.

6. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris een onjuiste beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM heeft gemaakt.

6.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 1 juli 2011 niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling en het kind kan worden verwacht dat zij het gezinsleven in het land van herkomst van de vreemdeling of een derde land uitoefenen, nu de vreemdeling, gezien hetgeen onder 5 is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich dienaangaande objectieve belemmeringen voordoen, Nederlanders zich in het algemeen in andere landen kunnen vestigen en het gezinsleven is ontstaan op een moment dat de vreemdeling niet op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verbleef. Gelet hierop is het besluit van 1 juli 2011 niet in strijd met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het gezinsleven.

De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 28 december 2011 in zaak nr. 11/24629;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

154.