Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201208511/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208511/1/V6.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 juli 2012 in zaak nr. 12/655 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. K. Mohassel Zadeh, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend. Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit. Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen. Van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellante] om verlening van het Nederlanderschap afgewezen omdat haar identiteit niet kan worden vastgesteld. Niet in geschil is dat [appellante] bij haar verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank haar ten onrechte niet heeft gevolgd in haar standpunt dat de staatssecretaris haar beroep op bewijsnood had moeten honoreren. [appellante] voert hiertoe, onder verwijzing naar diverse ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Azerbeidzjan onderscheidenlijk Armenië, aan dat zij waarschijnlijk is uitgeschreven uit haar geboorteplaats en van haar derhalve niet mag worden gevergd dat zij zich richt tot de autoriteiten in deze landen ter verkrijging van een gelegaliseerde geboorteakte. De rechtbank heeft volgens [appellante] voorts niet onderkend dat de registers van de burgerlijke stand in [plaats], het gebied waaruit zij afkomstig stelt te zijn, onvolledig zijn en dat zij als staatloze vergeefse pogingen heeft ondernomen om het gevraagde document te verkrijgen bij de ambassades van Azerbeidzjan en Armenië.

4.1. [appellante] heeft niet aangetoond dat zij van de Armeense of Azerbeidzjaanse autoriteiten geen gelegaliseerde geboorteakte kan verkrijgen. De enkele stelling dat zij de Azerbeidzjaanse ambassade tweemaal schriftelijk heeft verzocht om afgifte van het gevraagde document - zonder een antwoord te hebben ontvangen - en telefonisch contact heeft gehad met de Armeense ambassade, is daartoe onvoldoende. [appellante] heeft slechts gesteld dat zij waarschijnlijk is uitgeschreven uit haar geboorteplaats en dat de registers van de burgerlijke stand aldaar onvolledig zijn, terwijl zij met de enkele verwijzing naar het thematisch ambtsbericht staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in Azerbeidzjan van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2011, niet heeft aangetoond dat dat daadwerkelijk zo is. Daaruit volgt weliswaar dat de woonplaatsregistratie van veel etnische Armeniërs uit het bevolkingsregister in Azerbeidzjan is verwijderd, maar ook is daarin vermeld dat het mogelijk is dat van sommigen de registratiegegevens bewaard zijn gebleven. [appellante] heeft voorts niet gestaafd dat, naar zij stelt, staatlozen niet worden geholpen door de autoriteiten van Armenië of Azerbeidzjan. Gelet hierop en nu uit de onder 4. bedoelde ambtsberichten niet blijkt dat het bij voorbaat zinloos is om de Armeense of Azerbeidzjaanse autoriteiten te benaderen ter verkrijging van - in dit geval - een gelegaliseerde geboorteakte, wordt [appellante] niet gevolgd in haar betoog dat dit van haar niet mag worden gevergd. Voorts wordt daarbij in aanmerking genomen dat [appellante] niet daadwerkelijk heeft getracht om, zo nodig met behulp van een - professionele - derde, het gevraagde document van de Armeense of Azerbeidzjaanse autoriteiten te verkrijgen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank [appellante] ten onrechte niet heeft gevolgd in haar betoog dat de staatssecretaris haar beroep op bewijsnood had moeten honoreren. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

32-670.