Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201207953/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Waarland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207953/1/R1.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Lutjewinkel, gemeente Hollands Kroon,

2. [appellant sub 2], wonend te Waarland, gemeente Schagen,

en

de raad van de gemeente Harenkarspel, thans: Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Waarland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J. Hobo, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door A.W.E. Hulst, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting M.W. Groen als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een juridisch planologisch kader ter vervanging van een aantal verouderde bestemmingsplannen. Daarnaast wordt een nieuw kader geschapen voor het gehele dorp Waarland, met uitzondering van de bedrijventerreinen en het recreatieterrein De Luwe Stek.

Beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - schildersbedrijf" toegekend aan zijn perceel [locatie 1] te Waarland. Volgens hem had aan het perceel de bestemming "Wonen - 3" moeten worden toegekend om hem niet te beperken in zijn gebruiksmogelijkheden. Deze bestemming zou ook passender zijn, nu de dichtstbijzijnde woning op 6 m van zijn schildersbedrijf staat en volgens de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) tussen een woning en een categorie 2-bedrijf een richtafstand van minimaal 30 m dient te worden aangehouden.

Voorts heeft de raad in strijd met een op 24 december 2011 gesloten overeenkomst tussen [appellant sub 1] en de gemeente gehandeld door geen woonbestemming aan zijn perceel toe te kennen. Nu de raad geen uitvoering aan deze overeenkomst heeft gegeven, heeft de raad niet mogen nalaten om de toegekende bestemming nader te motiveren.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemming en functieaanduiding passend zijn gelet op het huidige gebruik van het perceel [locatie 1] als schildersbedrijf. Voorts acht de raad de afstand van 6 m tussen de dichtstbijzijnde woning en het schildersbedrijf aanvaardbaar. Hierbij heeft de raad in aanmerking genomen dat het perceel zich in een gemengd gebied bevindt waar zich naast het schildersbedrijf woningen, een manege en een agrarisch bedrijf bevinden, op grond waarvan de richtafstand kan worden teruggebracht naar 10 m. Nu de bedrijfsactiviteiten op het perceel in de afgelopen jaren niet hebben geleid tot geluidklachten is er volgens de raad voldoende grond om een afstand van 6 m in het licht van de VNG-brochure aanvaardbaar te achten.

Ten aanzien van de overeenkomst stelt de raad dat deze het karakter van een procedurele inspanningsverplichting heeft.

2.2. Ingevolge de verbeelding rusten op het perceel [locatie 1] de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - schildersbedrijf".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a en c, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in de bij deze planregels behorende, in bijlage 2 opgenomen, Bedrijvenlijst onder categorie 1 en 2;

b. (…);

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - schildersbedrijf", uitsluitend gebouwen ten behoeve van een schildersbedrijf, de onder a genoemde bedrijven zijn ter plaatse niet toegestaan.

2.3. Aan het perceel waren in het vorige plan "Landelijk gebied Harenkarspel 1980" de bestemming "Bedrijven" en de aanduiding "schildersbedrijf" toegekend. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bij het plan toegekende bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - schildersbedrijf" aansluiten bij het feitelijk gebruik van het perceel. Gelet hierop en nu niet is gesteld dat [appellant sub 1] zijn bedrijfsvoering ter plaatse wil beëindigen is niet aannemelijk gemaakt dat [appellant sub 1] met deze bestemming en aanduiding wordt beperkt in zijn huidige bedrijfsvoering.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat een richtafstand van 30 m dient te worden aangehouden tussen een schildersbedrijf en de dichtstbijzijnde woning, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de raad bij de beoordeling van de situatie is uitgegaan van onjuiste feiten. Nog daargelaten dat het hier een bestaande situatie betreft, waarop de VNG-brochure hierdoor niet ziet, heeft de raad het gebied waar het schildersbedrijf is gevestigd kunnen aanmerken als een gemengd gebied in de zin van de VNG-brochure, en waardoor ingevolge die brochure een richtafstand van 10 m zou gelden, en omdat geen geluidklachten bekend waren, in redelijkheid een afstand van 6 m aanvaardbaar kunnen achten.

2.4. Voor zover [appellant sub 1] wijst op de met de gemeente gesloten overeenkomst, overweegt de Afdeling dat daarin slechts is overeengekomen dat de gemeente de procedurele afwikkeling van het bestemmingsplan "Waarland" - waarin onder meer de bedrijfsbestemming van een pand op het perceel [locatie 1] wordt vervangen door een woonbestemming - zal bevorderen. Niet is gebleken dat de raad, die op grond van de Wet ruimtelijke ordening is aangewezen een bestemmingsplan vast te stellen, bij die overeenkomst of de totstandkoming daarvan is betrokken. Dat tussen [appellant sub 1] en de gemeente een overeenkomst is gesloten, is wel een omstandigheid die de raad bij de vaststelling van het plan in zijn overwegingen diende te betrekken. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet worden gezegd dat de raad door de overeenkomst als een procedurele inspanningsverplichting aan te merken deze onjuist heeft gekwalificeerd en niet bij zijn overwegingen heeft betrokken.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

3. [appellant sub 2] betoogt dat zijn zienswijze niet volledig is beantwoord. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat zienswijzen beknopt worden beantwoord. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de besluitvorming zijn betrokken.

4. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend aan de gronden aan de Lantmanstraat en de Doorbraak waar thans handbalvelden zijn gesitueerd. Hij wenst een conserverend plan, waardoor de handbalvelden op deze plaats gehandhaafd kunnen blijven. Op grond van het vorige plan "Waarland 1:1000" uit 1982 hadden de desbetreffende gronden een woonbestemming respectievelijk een recreatieve bestemming. In het plan verdwijnt 30% van het groen ten behoeve van woningen, waardoor de gronden niet meer kunnen worden gebruikt voor recreatieactiviteiten.

[appellant sub 2] stelt dat een ontheffing op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) is vereist en dat de raad niet heeft onderbouwd waarom het uit te werken woongebied niet binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd.

Bovendien ontbreken volgens [appellant sub 2] nut en noodzaak van het uit te werken woongebied, nu onder meer drie woningen op gronden van G. Pancras en vijf woningen in Waarland-Zuidoost kunnen worden gerealiseerd.

[appellant sub 2] betoogt dat de gronden in de "Structuurvisie Harenkarspel" niet zijn aangewezen als bouwlocatie. Verder wordt in de structuurvisie uitgegaan van een gemiddelde woningdichtheid van 22,5 woningen per hectare. Het gebied waar het nog uit te werken woongebied is voorzien, voorziet niet in deze dichtheid.

Verder heeft de raad ten onrechte financiële in plaats van planologische motieven vooropgesteld bij de belangenafweging.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het wenselijk is om op de gronden een woonbestemming mogelijk te maken. Volgens de raad heeft hij al in 2002 het uitgangspunt vastgesteld om sportvelden, onder meer de handbalvelden op deze locatie, te verplaatsen naar de rand van het dorp en de vrijgekomen gronden een woonbestemming te geven. Reeds vanaf 2005 maken de gronden deel uit van het gemeentelijk woningbouwprogramma. Ontwikkeling van een woongebied op deze gronden is ook in lijn met provinciaal beleid om nieuwe woningbouw primair binnen de dorpskernen toe te staan.

Ten aanzien van vermindering van het groengebied stelt de raad dat de gronden tussen het uit te werken woongebied en de woning van [appellant sub 2] de bestemming "Groen" hebben waar speelvoorzieningen en recreatief medegebruik zijn toegestaan.

4.2. Blijkens de verbeelding is aan gronden gelegen tussen de Lantmanstraat en de Doorbraak de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend. Voorts is als maatvoering opgenomen "maximaal aantal wooneenheden = 8".

Blijkens de verbeelding hebben de gronden ten zuiden van voornoemd plandeel de bestemming "Groen".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bebossing en beplanting;

c. voet- en rijwielpaden;

d. speelvoorzieningen;

e. waterlopen en waterpartijen;

en tevens voor:

f. volkstuinen, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "volkstuin",

met daaraan ondergeschikt:

g. parkeervoorzieningen;

h. verkeersvoorzieningen;

i. openbare nutsvoorzieningen;

j. incidentele evenementen;

k. recreatief medegebruik;

l. tuinen, erven en terreinen,

met de daarbij behorende:

m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, zijn de voor de bestemming "Woongebied - Uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de aanleg van een woongebied;

b. water;

c. groenvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

d. infrastructurele en additionele voorzieningen;

e. bouwwerken;

f. werken en werkzaamheden.

Ingevolge lid 16.2, onder g en h, werkt het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van het bepaalde in de volgende uitwerkingsregels:

g. het aantal woningen bedraagt het in het plan aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden";

h. de bestemmingsregels van artikel 15 "Woongebied" zijn na uitwerking van toepassing.

4.3. Blijkens de plankaart van het vorige bestemmingsplan "Waarland 1:1000" was aan de gronden , waarop de bestemming "Woongebied - Uit te werken" betrekking heeft, de bestemming "Recreatieve doeleinden II" toegekend met een maximaal bebouwingspercentage van 3.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van dat plan waren de op de kaart voor "Recreatieve doeleinden II" aangewezen gronden bestemd voor sportvoorzieningen met daartoe dienende sport- en speelvelden, de daarbij nodige gebouwen, andere bouwwerken, parkeergelegenheid en groenvoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mochten de op de in het eerste lid bedoelde gronden gebouwen en andere bouwwerken - geen woningen zijnde - ten dienste van de bestemming worden opgericht, met dien verstande dat:

a. de bebouwde oppervlakte niet meer mag bedragen dan het op de kaart aangegeven percentage van het bestemmingsoppervlak;

b. de goot- en/of boeiboordhoogte van de bebouwing niet meer dan 8 m mag bedragen;

c. de hoogte van andere bouwwerken niet meer mag bedragen dan 12 m.

4.4. In de "Structuurvisie Harenkarspel", vastgesteld op 15 december 2009, is in paragraaf 3.2 over het woningbouwprogramma neergelegd dat wordt uitgegaan van een bouwproductie van ongeveer 1800 woningen voor de komende twintig jaar. Verder staat in de structuurvisie dat het bouwprogramma een mix zal zijn van woningen voor starters, senioren, goedkoop, middelduur en duur. Belangrijk accent ligt bij betaalbare en duurzame woningen. Juist de menging van typen geeft de mogelijkheid om aantrekkelijke woonmilieus te maken met een dichtheid van gemiddeld 22,5 woningen per hectare, met groen en water en overwegend bebouwing in een tot twee bouwlagen, aldus de structuurvisie.

4.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van de betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat een ontheffing op grond van de PRVS is vereist, overweegt de Afdeling dat de gronden van het voorziene uit te werken woongebied blijkens de kaart van de PRVS, waarop het bestaand bebouwd gebied wordt aangegeven, als zodanig worden aangemerkt. Derhalve is geen ontheffing op grond van de PRVS vereist.

Voorts faalt het betoog van [appellant sub 2] dat nut en noodzaak van het uit te werken woningbouwgebied ontbreken, nu in de structuurvisie wordt uitgegaan van een bouwproductie van 1800 woningen in Harenkarspel voor de komende twintig jaar en niet is gebleken dat dit aantal reeds is bereikt.

Ten aanzien van het ontbreken van het voorziene woongebied in de structuurvisie als bouwlocatie, overweegt de Afdeling dat in de structuurvisie met een lijn globaal is aangegeven dat woninguitbreiding wordt voorzien in Waarland-Oost. Daaruit volgt niet dat woninguitbreiding elders in Waarland in strijd zou zijn met de structuurvisie.

Ter zitting is vast komen te staan dat de oppervlakte van het uit te werken woongebied ongeveer 4.556 m2 bedraagt. Gelet op de acht voorziene woningen komt de woningdichtheid hier neer op omgerekend ongeveer 18 woningen per hectare. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze woningdichtheid niet in grote mate afwijkt van de gewenste gemiddelde woningdichtheid van 22,5 woningen per hectare en past in de structuurvisie.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte recreatiemogelijkheden en het groen in de omgeving sterk beperkt, overweegt de Afdeling dat het uitgangspunt van de raad om sportvelden te verplaatsen naar buiten het dorp en om op de desbetreffende gronden woningbouw mogelijk te maken, niet onredelijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de gronden met de bestemming

"Woongebied - Uit te werken" naast de aanleg van een woongebied ook zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Voorts is aan het zuidelijke gedeelte van de gronden aan de Doorbraak en de Lantmanstraat een groenbestemming toegekend waar, gelet op artikel 6 van de planregels, recreatief medegebruik is toegestaan.

Niet is gebleken dat alleen financiële en geen planologische motieven aan het besluit ten grondslag liggen.

5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

191-763.