Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8445

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201207184/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft het college een vergunning onder voorschriften als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend aan Rijkswaterstaat-Maaswerken voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie T, nummers 258 (deels), 263 (deels), 264 (deels), 849 (deels), 2322 en 2171.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/80 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JOM 2013/528
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207184/1/R4.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Afferden, gemeente Bergen,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft het college een vergunning onder voorschriften als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend aan Rijkswaterstaat-Maaswerken voor het ontgronden van de percelen, kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie T, nummers 258 (deels), 263 (deels), 264 (deels), 849 (deels), 2322 en 2171.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [3 gemachtigden], bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door R.W.P. van Tol en R.G.E. Eggen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Rijkswaterstaat Maaswerken, vertegenwoordigd door ing. J.H.T. Lucassen en mr. R.G.C.H. Thuijls, als partij gehoord.

Overwegingen

1. De vergunde ontgronding maakt onderdeel uit van de Integrale Gebiedsuitwerking Heukelomsebeek (hierna: IGU). Aanleiding hiertoe vormt de voorgenomen peilopzet van de Maas door Rijkswaterstaat. Als gevolg daarvan zullen de stroken landbouwgrond direct grenzend aan de Maas alsmede het dal van de Heukelomse Beek vernatten waardoor de mogelijkheden voor agrarisch gebruik afnemen. Dit nadeel wordt ondervangen door het aankopen en als natuurgebied inrichten van een ongeveer 100 m brede strook langs de Maas. Om ter plaatse spontane natuur te (laten) ontwikkelen is het noodzakelijk de voedselrijke bouwvoor ervan te verwijderen.

Milieueffectrapport

2. [appellante] betoogt dat het college ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) heeft opgesteld. Zij stelt dat in het kader van de IGU ten gevolge van de peilverhoging van de Maas een oplossing dient te worden gevonden voor 155 ha grond en dat op de oevers van de Maas ongeveer 73 ha nieuwe natuur zal worden gerealiseerd. De ontwikkeling en ontgronding van deze gronden is opgeknipt in deelprojecten. Volgens [appellante] is er een duidelijke samenhang tussen alle deelprojecten, zodat volgens haar sprake is van een project zoals is vermeld in onderdeel C, categorie 16.1 bij de bijlage van het Besluit milieuffectrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.).

Voor zover de Afdeling mocht oordelen dat er geen m.e.r.-plicht bestaat, bestrijdt [appellante] het materiële oordeel van het college dat gezien de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect, kan worden uitgesloten dat de ontgronding belangrijke nadelen voor het milieu kan hebben. Er is weliswaar sprake van een beperkte ontgravingsdiepte, maar de ontgronding heeft volgens haar tot gevolg dat er meer oppervlaktewater ontstaat en dat de periodes waarin het maaiveld onder water staat aanmerkelijk worden verlengd. Voorts voert [appellante] aan dat volgens haar niet 10.000 m³, maar 14.000 m³ wordt ontgrond.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat binnen de gebiedsuitwerking Heukelomse Beek een tweetal vergunningplichtige ontgrondingen zijn voorzien. Dat is de bij het bestreden besluit vergunde ontgronding ter grootte van 5 ha, en een ontgronding van 6,4 ha. Deze ontgrondingen zijn volgens het college marginaal van aard en bevinden zich op een afstand van 1,7 km van elkaar. Er is volgens het college geen sprake van een onderlinge samenhang. De overige in het gebied voorziene ontgravingen betreffen volgens het college de aanleg van vennen die op basis van het gestelde in de Omgevingsverordening Limburg, Hoofdstuk 4 Ontgrondingen, artikel 4,1 tweede lid, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht ingevolge de Ontgrondingenwet. Verder zijn in het gebied volgens het college geen vergunningplichtige ontgrondingen voorzien. De totale oppervlakte aan vergunningplichtige ontgrondingen bedraagt volgens het college derhalve 11,4 ha. Een MER is pas verplicht bij ontgravingen met een oppervlakte van 25 ha of meer en deze drempelwaarde wordt in dit geval niet gehaald. Voorts is een m.e.r.-beoordeling pas verplicht bij ontgravingen met een oppervlakte van 12,5 ha en ook deze drempelwaarde wordt niet gehaald, aldus het college.

Ten aanzien van de te ontgronden hoeveelheid stelt het college zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de aangevraagde hoeveelheid onjuist is.

2.2. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen:

a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu;

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 16.1 onder meer als activiteit als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, aangewezen de winning dan wel wijziging of uitbreiding van de winning van oppervlaktedelfstoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare.

In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is in categorie 16.1 onder meer als activiteit als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, aangewezen de winning dan wel wijziging of uitbreiding van de winning van oppervlaktedelfstoffen in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 12,5 hectare of meer.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r., voor zover van belang, geldt voor zover in de bijlage, onderdeel D, categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In deze bijlage zijn kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect als omstandigheden genoemd.

2.3. Ingevolge artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingsverordening Limburg, voor zover van belang, geldt het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet niet voor het ontgronden op de plaats waar een ven wordt aangelegd, onderhouden, veranderd of opgeruimd, mits het werk in overeenstemming is met de van toepassing zijnde planologische regeling en de ontgronding niet verder gaat dan voor de technische realisering van dat werk noodzakelijk is.

2.4. Volgens paragraaf 4.6 van de toelichting op het bestreden besluit heeft het college de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect betrokken bij het besluit dat geen m.e.r.-beoordeling behoeft te worden opgesteld. Volgens het bestreden besluit kunnen, gezien de aard van de ontgronding en de grote afstand tot het meest nabijgelegen natuurgebied, significant negatieve effecten als gevolg van verdroging of vernatting, verstoring door geluid of trilling en of verzuring, welke mogelijk als gevolg van de ontgronding op zouden kunnen treden, worden uitgesloten.

2.5. Bij het bestreden besluit is, overeenkomstig de aanvraag, vergunning verleend voor het ontgronden van een oppervlakte van 5 ha en 0,20 m diepte. Dat ligt aanmerkelijk onder de drempelwaarden zoals genoemd in categorie 16.1 van onderdeel C en D van de bedoelde bijlage.

In paragraaf 7.2 van de Wet milieubeheer zijn regels opgenomen met betrekking tot plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een MER verplicht is. De voorziene vergunningvrije ontgrondingen zien op de aanleg van vennen en niet op de winning van delfstoffen als bedoeld in categorie 16.1 van onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

De afstand tussen de twee vergunningplichtige ontgrondingen bedraagt 1,7 km. Gelet hierop geeft hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het college dat er geen samenhang bestaat tussen de twee voorziene vergunningplichtige ontgrondingen. Evenmin is er aanleiding te twijfelen aan het standpunt dat er verder geen vergunningplichtige ontgrondingen in het betrokken gebied zijn voorzien. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een project als bedoeld in categorie 16.1 in onderdeel C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Ook anderszins ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het opstellen van een m.e.r.-beoordeling dan wel een MER noodzakelijk maken.

2.6. Ten aanzien van de hoeveelheid te vergraven teelaarde, overweegt de Afdeling dat in de aanvraag om vergunning een oppervlakte is vermeld van de ontgronding van 5 ha en een hoeveelheid te vergraven teelaarde van 9990 m³. Blijkens het bestreden besluit is vergunning verleend overeenkomstig de aanvraag. Voor zover [appellante] vreest dat deze hoeveelheid wordt overschreden, overweegt de Afdeling dat de aanvrager niet meer mag vergraven dan is vergund. Het optreden tegen de overschrijding van de vergunde hoeveelheid te vergraven grond is evenwel een kwestie van handhaving die in deze procedure niet ter beoordeling staat.

Het betoog faalt.

Ontgrondingenwet

3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning te ontgronden dan wel als eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker, opstalhouder, beklemde meier of gebruiker van enige onroerende zaak toe te laten, dat aldaar zonder vergunning ontgronding plaats heeft.

Ingevolge het tweede lid kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden ter bevordering en bescherming van belangen, betrokken bij de ontgronding, de herinrichting van de ontgronde onroerende zaken en de aanpassing van de omgeving van de ontgronde onroerende zaken.

Ingevolge artikel 10, vijfde lid, voor zover hier van belang, worden besluiten tot het verlenen of wijzigen van een vergunning genomen na afweging van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde belangen.

4. [appellante] kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en betoogt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Zij vreest dat de ontgrondingswerkzaamheden in samenhang met andere ingrepen, zoals verhoging van het Maaspeil en de ophoging van landbouwgronden bij een aangrenzend perceel, zullen leiden tot vernatting van haar percelen. Zij stelt voorts dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende bescherming bieden aan haar percelen. Temeer nu één van haar percelen zich direct naast de ontgravingsgrens van perceel, kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie […], nummer […], bevindt.

4.1. Het college stelt dat de aard en omvang van de voorgenomen ontgronding dermate beperkt is dat er geen sprake is van een negatief effect op de percelen van [appellante]. Ook niet als de effecten van de ontgronding worden bezien in relatie tot de overige ingrepen in het gebied. Vernatting op de percelen van [appellante] door een stijging van de grondwaterstand als gevolg van de ontgronding is volgens het college uitgesloten.

Voorts stelt het college dat de grens van het zoekgebied weliswaar grenst aan een perceel van [appellante], maar dat de ontgronding ingevolge vergunningvoorschrift 1.1 dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de bij de aanvraag behorende tekening. De ellipsvormige aanduidingen op die tekening geven de feitelijk te ontgraven gebieden aan. De feitelijke ontgravingsgrens bevindt zich overeenkomstig die tekening op een afstand van 50 m van het perceel van [appellante], aldus het college.

Voor zover gronden als gevolg van de Maaspeilopzet te nat worden voor de landbouw en/of nodig zijn voor de inrichting van de oevers van de Maas merkt het college op dat deze in het project zijn opgenomen als in te richten gebieden met de functie "Nieuwe Natuur". Deze gronden zijn via een planmatige kavelruil verworven. De gronden van [appellante] behoren daar niet toe, aldus het college.

Het college stelt zich voorts op het standpunt dat voorschrift 2.2 in samenhang met voorschrift 2.4 de belangen van [appellante] in afdoende mate beschermt. Beide voorschriften garanderen volgens het college de benodigde stabiliteit om verzakking en/of afslag van de gronden van [appellante] te voorkomen.

4.2. Aan de vergunning zijn onder meer de voorschriften 1.1, 2.2 en 2.4 verbonden.

Voorschrift 1.1 bepaalt dat de ontgronding dient te worden uitgevoerd en opgeleverd overeenkomstig de bij de aanvraag behorende tekening genaamd "Heukelomse Beek, Tekening aangevraagde gebied", d.d. januari 2012, kenmerk DLG20120124EvS01, schaal 1:4000, met bijbehorende dwars- en lengteprofielen, tenzij de navolgende voorschriften anders bepalen. Hieruit volgt dat de ontgravingsgrens zich op een afstand van meer dan 50 m van de percelen van [appellante] bevindt en dat een ontgravingsdiepte is vergund van 20 cm.

Voorschrift 2.2 bepaalt dat geen ontgrondingen mogen worden verricht in een strook ter breedte van 1 m uit de kadastrale grens van aangrenzende percelen. Met dien verstande, dat in deze strook mag worden ontgrond, voor zover het maaiveld hoger is gelegen dan het niveau van de kruin van Maasstraat.

Voorschrift 2.4 bepaalt dat de belopen, welke de overgang vormen van de ontgronding naar gronden welke ingevolge de vergunning niet mogen worden ontgraven geen steilere helling mogen hebben dan 1:3.

4.3. De overstromingsfrequentie zal volgens de toelichting op het bestreden besluit ter plaatse van de ontgronding hoger worden en aan bovenstroomse zijde zal de grondwaterspiegel iets dalen. De grondwaterverlaging zal gelet op de ontgravingsdiepte van 20 cm gering zijn. De waterhuishoudkundige effecten zullen hoogstens tot enkele meters buiten de ontgravingscontouren optreden. Voorts kan ophoging binnen de invloedsfeer van de Maas opstuwing van het oppervlaktewater en daarmee schade veroorzaken. Daarom is daarvoor een vergunning aangevraagd ingevolge de Waterwet en in dat kader is een hydrologisch onderzoek uitgevoerd, aldus de toelichting op het bestreden besluit.

Het college heeft bezien in hoeverre de ontgronding in combinatie met ophoging en/of peilopzet extra vernattend zou kunnen werken. De ontgronding werkt in zeer geringe mate grondwaterverlagend aan bovenstroomse zijde. Dit effect reikt volgens de toelichting op het bestreden besluit niet tot aan de percelen van [appellante]. Omdat het effect slechts bij een bepaald Maaspeil optreedt zal het effect door peilopzet en/of ophoging op andere momenten optreden. Er is volgens de toelichting op het bestreden besluit geen sprake van versterkende effecten. De voorgenomen ontgronding zal niet leiden tot schadelijke effecten op de percelen van [appellante], ook niet in combinatie met de uit te voeren projecten peilopzet ter plaatse, aldus de toelichting.

4.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de afweging van de in artikel 3, tweede lid, van de Ontgrondingenwet, bedoelde belangen, onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen dan wel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn ter bescherming van de gronden van [appellante].

De beroepsgrond faalt.

4.5. [appellante] stelt dat geen deugdelijk onderzoek is verricht naar de natuurwaarden.

4.6. Het college stelt zich op het standpunt dat blijkens onderzoek de huidige natuurwaarden vanwege het intensieve agrarisch gebruik beperkt zijn. Aan de hand van de zogenoemde effectenindicator is nagegaan welke effecten zouden kunnen optreden voor de natuurwaarden. Gezien de aard van de voorliggende activiteiten en de grote afstand tot het meest nabijgelegen natuurgebied zijn significant negatieve effecten als gevolg van verdroging of vernatting, verstoring door geluid of trilling en of verzuring, welke mogelijk als gevolg van ontgronding op zouden kunnen treden, volgens het college uitgesloten.

Voorts stelt het college zich op het standpunt dat een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet hoeft te worden gevraagd mits in het broedseizoen geen verstoring plaatsvindt van broedende vogels en hun nesten. Gelet op de korte duur van de ontgronding is er volgens het college voldoende tijd beschikbaar om deze buiten het broedseizoen uit te voeren.

4.7. Het te ontgronden gebied is niet aangewezen als Natura-2000 gebied en behoort evenmin tot de beschermde natuurmonumenten. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied Maasduinen bevindt zich op een afstand van 600 m ten oosten van het te ontgronden gebied. Volgens de toelichting op het bestreden besluit zijn op die afstand geen geluiden of trillingen hoorbaar en voelbaar, zal gelet op de beperkte ontgraving weliswaar verdroging ontstaan, maar zal dit effect tot hooguit tientallen meters stroomopwaarts reiken en zullen de uitlaatgassen van de in te zetten voer- en werktuigen in de directe omgeving theoretisch leiden tot verhoogde immissie van verzurende stoffen. Die immissie is tijdelijk, gering in omvang en niet of moeilijk meetbaar. Volgens paragraaf 4.6 van de toelichting op het bestreden besluit is het uitgesloten dat de ontgronding nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Daaruit volgt dat de ontgronding evenmin nadelige gevolgen heeft voor het op een afstand van 600 m gelegen Natura-2000 gebied.

4.8. De Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van Economische Zaken Landbouw en Innovatie (hierna: DLG) heeft in opdracht van de aanvrager onderzoek uitgevoerd naar de natuurwaarden. Dat onderzoek is weergegeven in de nota "Veldbezoek gemeente Bergen Maasoevers ter hoogte van Heukelom", van 15 december 2011 (hierna: de nota veldbezoek). De DLG heeft bij dit onderzoek volgens de nota veldbezoek gebruik gemaakt van het databestand van de provincie Limburg, dat een overzicht bevat van de vogels en planten die voorkomen in het betreffende gebied, en het overzicht van de flora en fauna dat tot stand is gekomen door middel van het project Maas in beeld. Volgens de nota veldbezoek zijn op het betreffende terrein, behoudens de broedvogels, geen beschermde soorten aangetroffen en zijn er ook geen aanwijzingen dat er nog andere soorten aanwezig kunnen zijn, zodat er geen ontheffing op grond van de Ffw behoeft te worden aangevraagd. Wel moeten de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Voorts hebben de soorten volgens de nota voldoende uitwijkmogelijkheden.

4.9. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek en de bevindingen van het college met betrekking tot de natuurwaarden, onjuist zijn. Gelet hierop zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het college bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de natuurwaarden.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

632.