Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8426

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201210987/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het college geweigerd Landgoed Horstlanden een omgevingsvergunning te verlenen voor het slopen van een schuur en het bouwen van een woning op het perceel Witbreuksweg 99 te Enschede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210987/1/A1.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Horstlanden B.V., gevestigd te Scena, Italië

(hierna: Landgoed Horstlanden),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 17 oktober 2012 in

zaak nr. 12/566 in het geding tussen:

Landgoed Horstlanden

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2011 heeft het college geweigerd Landgoed Horstlanden een omgevingsvergunning te verlenen voor het slopen van een schuur en het bouwen van een woning op het perceel Witbreuksweg 99 te Enschede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 april 2012 heeft het college het door Landgoed Horstlanden daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2012 heeft de rechtbank het door Landgoed Horstlanden daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Landgoed Horstlanden hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Het bouwplan ziet op de nieuwbouw van een woonboerderij op het perceel. Deze woonboerderij is voorzien op de plaats waar in de huidige situatie een bijgebouw in de vorm van een schuur staat, waarvoor, in verband met het bouwplan, een sloopvergunning is aangevraagd.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". Op het perceel rust tevens de zogenoemde gastbestemming "agrarische woning (aw)".

Ingevolge artikel 45.1, aanhef en onder 45.1.2, van de planvoorschriften mag ter plaatse van de gastbestemmingsaanduiding "aw" op de plankaart per "aw" één woning met bedrijfsgebouwen aanwezig zijn onder de voorwaarde dat de bestaande woning en de bestaande bedrijfsgebouwen, behoudens vrijstelling krachtens het derde lid, niet mogen worden verplaatst.

3. Niet in geschil is dat zich op het perceel reeds een woning bevindt en dat niet deze woning, maar één van de op het perceel aanwezige schuren op de plankaart is aangeduid met de gastbestemming "aw". Evenmin is in geschil dat hiermee sprake is van een kennelijk onjuiste aanduiding op de plankaart, in die zin dat niet de schuur, maar de bestaande woning als "aw" had moeten worden aangeduid.

4. Landgoed Horstlanden betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte heeft gevolgd in het standpunt dat het bestemmingsplan de bouw van de aangevraagde tweede woning op het perceel niet toestaat. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de desbetreffende planvoorschriften uitsluitend toepassing vinden indien sprake is van een bestaande woning ter plaatse van de aanduiding "aw". Volgens Landgoed Horstlanden is dit voorschrift volstrekt duidelijk en bepaalt dit dat ter plaatse van de aanduiding "aw" één agrarische woning aanwezig mag zijn, ook als die ter plaatse van die aanduiding nog niet aanwezig is.

4.1. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in het standpunt dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" is beoogd de bestaande (agrarische) woningen positief te bestemmen en de regeling in artikel 45 van de planvoorschriften met betrekking tot de agrarische woning, derhalve ziet op het behouden van de bestaande situatie waarin één agrarische woning op het perceel aanwezig is. Dit kan onder meer worden afgeleid uit de in dit artikel opgenomen voorschriften dat per "aw" één woning met bedrijfsgebouwen aanwezig mag zijn en dat de bestaande woning niet mag worden verplaatst. Tevens is hierbij van belang dat in artikel 45.3, aanhef en onder c, wordt vermeld dat bij vervanging van een woning vrijstelling kan worden verleend van het verbod deze te verplaatsen, uitsluitend indien ook na toepassing van deze vrijstelling ter plaatse van, dan wel in de directe nabijheid van de gastbestemmingsaanduiding "aw" op de plankaart, ten hoogste één woning aanwezig zal zijn.

De rechtbank heeft dan ook het betoog van Landgoed Horstlanden dat het bepaalde in artikel 45 van de planvoorschriften ook ziet op de situatie dat, zoals hier, ter plaatse van die aanduiding geen woning aanwezig is, terecht niet gevolgd, nu dat ertoe kan leiden dat het aantal woningen in het buitengebied toeneemt, hetgeen blijkens de door het college aangehaalde gedeelten van de plantoelichting met het bestemmingsplan uitdrukkelijk niet is beoogd. De toelichting vermeldt onder meer dat een verdere uitbreiding van burgerwoningen in het buitengebied dient te worden voorkomen en dat de verbouw van agrarische schuren tot woningen of wooneenheden niet is toegestaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat op het perceel een van de schuren en niet de bestaande woning is aangepijld als "aw", niet tot de conclusie leidt dat op het perceel een tweede woning kan worden opgericht.

De stelling van Landgoed Horstlanden dat aan de toelichting van het bestemmingsplan geen betekenis kan worden toegekend, omdat de gastbestemmingsaanduiding "aw" op de plankaart, en artikel 45 van de planvoorschriften op zichzelf en in hun onderlinge samenhang bezien, volkomen duidelijk zijn, slaagt niet, reeds omdat uit artikel 45.1 van de planvoorschriften blijkt dat ter plaatse, dat wil zeggen op het perceel, één woning aanwezig mag zijn en op het perceel feitelijk al een woning staat.

Ook de stelling van Landgoed Horstlanden dat met de bebouwingsvoorschriften in artikel 45 niet wordt aangesloten bij de afmetingen van de bestaande woning, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Deze bebouwingsvoorschriften zien op de situatie waarin de bestaande woning eventueel wordt verbouwd, of onder de gestelde voorwaarden met vrijstelling wordt verplaatst, dan wel wordt vervangen.

Dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 1998 (zaak nr. H01980105, Gst. 1999-7106, 5), slaagt evenmin. In de opvatting van de rechtbank doet zich in deze zaak, evenals in die zaak, een discrepantie tussen de aanduiding op de plankaart en de planvoorschriften voor, nu artikel 45 van de planvoorschriften uitsluitend ziet op de bestaande woning en op de plankaart per abuis niet die woning, maar een schuur als zodanig is aangepijld.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met juistheid tot het oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

641.