Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201207729/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2010 heeft het college een verzoek van [appellanten] om handhavend tegen het bouwen op het perceel [locatie] te Dordrecht op te treden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207729/1/A1.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Dordrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 6 juli 2012 in zaak nr. 11/535 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2010 heeft het college een verzoek van [appellanten] om handhavend tegen het bouwen op het perceel [locatie] te Dordrecht op te treden afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft het het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deza Participaties BV een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2013, waar [appellanten], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. Ossewaarde, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellanten] betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden, heeft miskend dat in afwijking van de bij besluit van 13 april 2006 verleende bouwvergunning eerste fase is gebouwd. Daartoe voeren zij aan dat op de bij die vergunning behorende bouwtekening een glazen scheidingswand is ingetekend. Dat op de bouwtekening, behorend bij de bij besluit van 5 oktober 2007 verleende bouwvergunning tweede fase, geen glazen scheidingswand zichtbaar is, leidt volgens hen niet tot een andere conclusie, nu zij niet van de wijziging van de bouwtekening op de hoogte zijn gebracht en ook niet op deze wijziging bedacht hoefden te zijn, zodat in zoverre sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Voorts is de glazen scheidingswand nodig om strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek te voorkomen en krachtens artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening de vereiste vrijstelling te kunnen verlenen, aldus [appellanten].

2. Bij het besluit van 13 april 2006 heeft het college aan Deza Participaties B.V. reguliere bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een woongebouw met commerciƫle ruimte op de begane grond op het perceel. De scheidingswand maakte onderdeel uit van de bij de aanvraag ingediende bouwtekeningen. Na het verlenen van de bouwvergunning eerste fase heeft Deza Participaties B.V. gewijzigde bouwtekeningen ingediend. Bij brief van 26 maart 2007 heeft het college haar medegedeeld dat de ingediende gewijzigde bouwtekeningen onderdeel zijn geworden van de bij het besluit van 13 april 2006 verleende vergunning. Op de gewijzigde bouwtekening is de scheidingswand niet aangebracht. Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft het college voor het bouwplan reguliere bouwvergunning tweede fase verleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de scheidingswand, gelet op de gewijzigde bouwtekening, geen onderdeel uitmaakt van de bij de besluiten van 13 april 2006 en 5 oktober 2007 verleende vergunningen. Dat [appellanten], als gesteld, niet op de hoogte zijn gebracht van de wijziging doet er, hoe begrijpelijk hun gevoel misleid te zijn wellicht ook is, niet aan af dat de vergunningen in rechte onaantastbaar zijn. De rechtbank heeft het college dan ook terecht niet bevoegd geacht om handhavend op te treden, als door [appellanten] verzocht. Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

407-712.