Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8419

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201113246/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden ter zake van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113246/1/A4.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Utrechtse Heuvelrug,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 december 2011 in zaak nr. 11/2046 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden ter zake van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 27 mei 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door P. Pasveer en M.J. Slob, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden in verband met geluidhinder als gevolg van het gebruik van het kunstgrasveld, behorende bij een school op het perceel. Het college heeft afwijzend op dit verzoek beslist.

2. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de overweging in de aangevallen uitspraak, inhoudende dat van een overtreding van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Woongebied Driebergen" (hierna: het bestemmingsplan) niet is gebleken, nu het gebruik van het betreffende gedeelte van het perceel als speelveld in overeenstemming is met de vigerende bestemming "Maatschappelijk".

3. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doet de rechtbank uitspraak op grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

4. In beroep heeft [appellant] betoogd dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat het gebruik van het kunstgrasveld niet leidt tot strijd met de bepalingen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en van de Algemene Plaatselijke Verordening. Uit het beroepschrift noch het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt dat [appellant] in beroep heeft betoogd dat het college handhavend had moeten optreden wegens strijd met het bestemmingsplan. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] bevestigd dat hij dit betoog in beroep niet heeft aangevoerd. Hij heeft tevens toegelicht dat hij tegen het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank hoger beroep heeft ingesteld om te voorkomen dat dit oordeel onherroepelijk zou worden en hem in andere procedures zou kunnen worden tegengeworpen.

4.1. De vraag of het gebruik van een gedeelte van het perceel als speelveld al dan niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan, maakte aldus geen deel uit van het aan de rechtbank voorgelegde geschil. Door hierover in de aangevallen uitspraak niettemin een oordeel te geven, is de rechtbank in zoverre in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de omvang van het geding getreden.

5. Het hoger beroep is gegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze wet ten tijde van belang luidde, brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

457-727.