Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201110809/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie] te Putten.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/5789
JOM 2013/525
JOM 2013/526
JG 2013/44 met annotatie van ing. W. Vos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110809/1/A4.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellanten sub 1], allen wonend te Putten,

2. [appellant sub 2], wonend te Putten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Putten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan de [locatie] te Putten.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1], voor zover bestaande uit [vier appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1a]), hebben een nader stuk ingediend. [appellanten sub 1], voor zover bestaande uit [twee appellanten sub 1] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1b]), [appellant sub 2] en het college hebben eveneens nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2013, waar [appellant sub 1b], bijgestaan door mr. V. Wösten, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. V. Wösten en dr. M. Swanenburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Ben Kaddour, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, bijgestaan door ing. B.H. Wopereis, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ter voorlichting van partijen wijst de Afdeling erop dat de beroepen op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (oud) en artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat luidt sinds 1 januari 2013, niet mede worden geacht te zijn gericht tegen de besluiten van onderscheidenlijk 11 september 2012 en 25 januari 2013. Beide besluiten betreffen omgevingsvergunningen voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting en voor bouwen. Deze besluiten zien niet op de intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, zoals de wet vereist.

2. Ter zitting heeft [appellant sub 1b] zijn beroepsgronden over het tweemaal ter inzage leggen van een ontwerpbesluit en bodembescherming ingetrokken. [appellant sub 2] heeft ter zitting zijn beroepsgrond over het adres van de inrichting ingetrokken.

3. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om verlening van de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

4. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] stellen dat ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is opgesteld. Volgens hen is de m.e.r.-beoordelingsplicht tijdens de procedure tot vergunningverlening ontstaan, omdat het Besluit m.e.r. is gewijzigd. Ook stellen zij dat de cumulatie van stankhinder op grond van de criteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling had moeten worden betrokken bij de m.e.r.-beoordeling en dat de ammoniakdepositie onvoldoende bij de m.e.r.-beoordeling is betrokken.

4.1. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het vierde lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een m.e.r. moet worden gemaakt.

4.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 14 november 2012 in zaak nr. 201105329/1/A4 is met artikel IV van het Besluit van 21 februari 2011, in werking getreden op 1 april 2011, tot wijziging van het Besluit m.e.r. en het Besluit omgevingsrecht niet beoogd het Besluit m.e.r. (nieuw) onmiddellijke werking te laten hebben voor gevallen waarin de activiteit waarvoor een aanvraag om milieuvergunning is ingediend vóór 1 april 2011 door het bevoegd gezag niet was aangemerkt als m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig op de grond dat de drempelwaarden niet waren overschreden. De aanvraag is ingediend vóór 1 april 2011, zodat het college van het voor die datum geldende recht diende uit te gaan.

4.3. Anders dan categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (nieuw) heeft categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., zoals dit gold ten tijde van het indienen van de aanvraag, geen betrekking op pelsdieren, waaronder nertsen. Voor de aangevraagde situatie bestond derhalve ten tijde van belang geen m.e.r.-beoordelingsplicht.

Het onderdeel van de beroepsgrond dat zich richt tegen de door het college onverplicht opgestelde m.e.r.-beoordeling behoeft derhalve geen bespreking.

De beroepsgrond faalt.

5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

6. [appellant sub 1a] stelt dat het college ten onrechte twee maal een ontwerpbesluit op basis van dezelfde aanvraag ter inzage heeft gelegd. Daarnaast stelt hij dat de aanvraag naar aanleiding van de zienswijzen significant is gewijzigd. Volgens hem had vergunninghouder in plaats daarvan een nieuwe aanvraag moeten indienen. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] stellen dat na de terinzagelegging van het tweede ontwerpbesluit ten onrechte een aanpassing van de aanvraag heeft plaatsgevonden.

6.1. Bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, moet in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na deze terinzagelegging is het niet meer geoorloofd de aanvraag te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld.

6.2. Het college heeft aanleiding gezien een tweede ontwerpbesluit ter inzage te leggen, omdat als reactie op de zienswijzen op het eerste ontwerpbesluit nieuwe informatie over de inrichtingsgrens en de ventilatoren, een nieuw akoestisch rapport en nieuwe berekeningen voor zwevende deeltjes zijn overgelegd. Anders dan [appellant sub 1a] veronderstelt verzet de Algemene wet bestuursrecht zich niet tegen het tweemaal ter inzage leggen van een ontwerpbesluit. Dit kan in het belang van een zorgvuldige besluitvorming, zoals in het onderhavige geval, nodig zijn.

6.3. Na de terinzagelegging van het tweede ontwerpbesluit is de aanvraag van 15 april 2010 naar aanleiding van de zienswijzen aangevuld. Het gaat om de aanvullingen, bij het college ingekomen op onderscheidenlijk 12 juli 2011 en 9 augustus 2011. Het betreft een verduidelijking van verschillende onderdelen van de aanvraag, waaronder het noodstroomaggregaat. Dit aggregaat stond reeds in de aanvraag. De aanvulling licht toe dat het aggregaat niet in de inrichting aanwezig is, maar bij calamiteiten van elders wordt aangereden en ingezet. In één van de aanvullingen is het geluid ten gevolge van het gebruik van het noodstroomaggregaat berekend om, zoals het college stelt, het effect van het gebruik inzichtelijk te maken. Daaruit volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting bij calamiteiten hoger is dan de gestelde geluidgrenswaarden. Nu het noodstroomaggregaat reeds in de aanvraag van 15 april 2010 stond vermeld en de aanvullingen van 12 juli 2011 en 9 augustus 2011 slechts ter toelichting dienen op hetgeen eerder is aangevraagd, leidt de wijziging na het tweede ontwerpbesluit niet tot een grotere milieubelasting voor de omgeving. Eveneens is aannemelijk dat derden door de wijziging van de aanvraag niet zijn benadeeld, zodat het college er van heeft kunnen afzien een nieuw ontwerpbesluit met de gewijzigde aanvraag ter inzage te leggen.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] voeren aan dat de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten worden geweigerd. Volgens hen valt de aangevraagde mestsilo buiten het bouwvlak en kan het bouwvlak op grond van het bestemmingsplan onvoldoende worden vergroot.

7.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met het bestemmingsplan.

7.2. Het krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer weigeren van een milieuvergunning betreft een bevoegdheid en geen verplichting. Het college stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde inrichting past binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarnaast heeft het college ter zitting verklaard voornemens te zijn de vestiging van de inrichting op het perceel planologisch mogelijk te maken, in het geval de inrichting niet binnen het bestemmingsplan past. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college met deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer geweigerd behoefde te worden.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] vrezen geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting. Zij stellen dat de inpandige geluidbronnen ten onrechte niet zijn betrokken bij de beoordeling van geluidhinder. Ook blijkt uit de aanvulling van 9 augustus 2011, zo stellen zij, dat de geluidbelasting vanwege het in werking zijn van de inrichting op de woning aan de [locatie a] in de dagperiode 41 dB(A) bedraagt. Volgens hen is dit niet in overeenstemming met de de "Nota industrielawaai gemeente Putten" van 26 oktober 2004 (hierna: de Nota industrielawaai) en had hieraan een nadere motivering ten grondslag moeten liggen. In dit verband voeren zij tevens aan dat de vergunningvoorschriften niet in overeenstemming zijn met de situatie volgens het bij de aanvraag horende rapport "Akoestisch onderzoek voor veehouderij D. van den Hul" van 7 februari 2011 met referentie 20101683-01v4 (hierna: het akoestisch rapport) inclusief de aanvullingen daarop. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] stellen voorts dat in de aanvulling van 9 augustus 2011 ten onrechte is opgenomen dat de voermachines in de dagperiode vijf minuten en in de avond- en nachtperiode drie minuten in werking zijn. Dit is volgens hen niet in overeenstemming met hetgeen is aangevraagd en bovendien niet geloofwaardig. Verder voeren [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] aan dat voor de bestelbus onvoldoende vervoersbewegingen bij de beoordeling van de geluidhinder zijn betrokken, zodat de richtwaarden zullen worden overschreden. Ook stellen zij dat het college bij de beoordeling van geluidhinder uit had moeten gaan van het worstcasescenario voor de ventilatiecapaciteit, dat wil zeggen de maximale ventilatiecapaciteit en het maximale geluidniveau. [appellant sub 1b] heeft in dit verband een rapport van Foppen Advies van 10 augustus 2012 betreffende een geluidmeting op 23 juli 2012 overgelegd. Hieruit blijkt volgens hem dat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

8.1. De inpandige geluidbronnen zijn volgens de aanvulling op de aanvraag van 9 augustus 2011 door de toepassing van geluidisolerende materialen akoestisch verwaarloosbaar ten opzichte van de externe activiteiten. Het college stelt in dat verband dat de inpandige geluidbronnen, gelet op de uitpandige permanent draaiende ventilatoren en voertuigen met hogere bronvermogens, niet maatgevend zijn. In hetgeen [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] aanvoeren, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van het college onjuist is en dat de inpandige geluidbronnen daarom bij de beoordeling van geluidhinder hadden moeten worden betrokken.

8.2. Ten aanzien van de geluidbelasting ter plaatse van de woning aan de [locatie a] wordt overwogen dat in vergunningvoorschrift 8.1 geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie zijn opgenomen. Op grond van dit voorschrift geldt voor de woning aan de [locatie a] een geluidgrenswaarde van 40 dB(A) in de dagperiode. De door [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] genoemde geluidbelasting van 41 dB(A) is het gevolg van de inzet van het noodstroomaggregaat bij calamiteiten. Daarop heeft de geluidgrenswaarde in de representatieve bedrijfssituatie geen betrekking. In de door het college bij de beoordeling van geluidhinder gehanteerde Nota industrielawaai staat niets vermeld over calamiteiten, zodat het college in aansluiting op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) de calamiteiten niet bij het stellen van de geluidgrenswaarden heeft betrokken. Daartoe heeft het college in redelijkheid kunnen komen. In hoofdstuk 9 van de vergunningvoorschriften heeft het college voorschriften opgenomen over het gebruik van noodstroomvoorzieningen bij calamiteiten. Daarin is onder meer voorgeschreven dat een noodstroomaggregaat uitsluitend in noodsituaties in werking mag worden gebracht. Anders dan [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] stellen, was een nadere motivering in zoverre dan ook niet nodig. Gelet op het vorenstaande treft de stelling van [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] dat de vergunningvoorschriften niet in overeenstemming zijn met het akoestisch rapport en de aanvullingen daarop, geen doel.

8.3. Volgens de aanvraag zullen de voermachines in de dagperiode zes uur en in de avondperiode één uur in bedrijf zijn. Daarvan zullen de voermachines volgens de aanvulling van 9 augustus 2011 in de dagperiode vijf minuten en in de avondperiode drie minuten uitpandig in bedrijf zijn. Voor het overige zijn de voermachines derhalve inpandig in bedrijf. Anders dan [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] veronderstellen, wordt de tijd dat de voermachines in werking zijn niet door de aanvulling van 9 augustus 2011 verkort.

8.4. In het akoestisch rapport is ten behoeve van de representatieve bedrijfssituatie onderscheid gemaakt tussen de verschillende vervoermiddelen, zoals personenauto's, vrachtwagens en een bestelbus. Onder meer is rekening gehouden met het in de dagperiode dagelijks het terrein op- en afrijden van één bestelbus van personeel en bezoekers en dergelijke. In de aanvulling van 12 juli 2011 is opgemerkt dat het personeel en de bezoekers niet gelijktijdig van dezelfde bus gebruik maken. Het college stelt ter toelichting daarop dat het de ene dag kan gaan om een bestelbus van een leverancier en de andere dag om een bestelbus van personeel. Hetgeen [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] aanvoeren, leidt niet tot het oordeel dat bij de beoordeling van geluidhinder onvoldoende vervoersbewegingen zijn betrokken.

8.5. Met betrekking tot de ventilatoren staat in de aanvulling van de aanvraag, bij het college ingekomen op 18 februari 2011, die onderdeel uitmaakt van de vergunning, dat in de aangevraagde situatie een maximale ventilatiecapaciteit van 324.000 m3 nodig is en dat de te plaatsen ventilatoren een capaciteit van 361.120 m3 hebben. In het akoestisch rapport is daarom gerekend met een toerental van 90%, 80% en 50% in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het college stelt ter toelichting hierop dat de ventilatiecapaciteit van 324.000 m3 is gebaseerd op hoge buitentemperaturen en het maximaal aantal dieren, op het moment waarop de pups het grootst zijn. Dit is een worstcasescenario, omdat de hoogste temperaturen in de zomer vallen en de pups in het najaar het grootst zijn, aldus het college. Ten aanzien van het rapport van Foppen Advies van 10 augustus 2012 heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat de inrichting nog niet overeenkomstig de bij het bestreden besluit verleende vergunning in werking is, zodat de geluidmeting van Foppen Advies niet aannemelijk maakt dat de gestelde geluidgrenswaarden in zoverre niet naleefbaar zijn. Hetgeen [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] aanvoeren, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het standpunt van het college onjuist is en dat de ventilatoren derhalve op onjuiste wijze bij de beoordeling van geluidhinder zijn betrokken.

8.6. Gelet op het vorenstaande falen de beroepsgronden van [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] over geluid.

9. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] stellen dat uit de vergunning noch de aanvraag blijkt op welke wijze de noodstroomvoorziening wordt aangewend. Volgens hen heeft het college in een reactie op de zienswijzen ten onrechte gewezen op een nader ingediend stuk van 2 juli 2011. Daaruit blijkt volgens hen niet op welke wijze het aggregaat wordt beheerd. Bovendien wordt in dit stuk alleen gesproken over het aggregaat en niet de bijbehorende trekker. [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] stellen dat het college hierover voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden.

9.1. In hoofdstuk 9 van de vergunningvoorschriften heeft het college een viertal voorschriften over noodstroomvoorzieningen opgenomen. Voorts is in de aanvulling op de aanvraag bij het college ingekomen op 12 juli 2011 uiteengezet wanneer gebruik zal worden gemaakt van het noodstroomaggregaat en in de aanvulling bij het college ingekomen op 9 augustus 2011 welke gevolgen dit voor de geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting heeft. De aanvullingen maken deel uit van de verleende vergunning. Niet valt in te zien dat de wijze van gebruik van de noodstroomvoorziening onduidelijk is. In hetgeen [appellant sub 1a] en [appellant sub 1b] aanvoeren, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college nadere voorschriften aan de vergunning moest verbinden.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellant sub 1a] stelt dat de vier hallen ten onrechte gedeeltelijk zijn voorzien van een kerende verharding. Vijf procent van de mest zal volgens hem op de grond vallen, waardoor een significante hoeveelheid mest in de bodem verdwijnt. Ook stelt hij dat voorschrift 10.18 niet naleefbaar is, omdat mest en urine niet van een onverhard oppervlak kunnen worden verwijderd. De vergunning biedt hierdoor onvoldoende bescherming aan de bodem, aldus [appellant sub 1a].

10.1. Volgens de bij de aanvraag behorende plattegrondtekening worden de stallen uitgevoerd met een zandbed onder de mestgangen en een betonvloer onder de voergangen. Bij de aanvraag is een artikel gevoegd over klauterkooien en Groen Label van dr. G. de Jonge van februari 2005. In dit artikel wordt onder meer het mestgedrag van nertsen besproken, waaruit volgt dat nertsen over het algemeen op dezelfde plek hun behoefte doen. Vergunninghouder heeft hiermee aannemelijk gemaakt dat de mest hoofdzakelijk zal worden opgevangen in de mestgoten, die volgens vergunningvoorschrift 10.14 tweemaal per dag door middel van een mestschuif moeten worden geleegd. In voorschrift 10.18 staat vervolgens dat eventueel op de grond gevallen mest en voedselresten dagelijks moeten worden verwijderd en afgevoerd naar de gesloten mestopslag. Het college stelt zich op het standpunt dat de bodem hiermee voldoende wordt beschermd. Daarbij neemt het college in aanmerking dat de nertsen inpandig worden gehouden, zodat mest die op de grond ligt niet door regenwater in de bodem kan uitspoelen. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bodem, ondanks voormelde maatregelen, onvoldoende beschermd is.

De beroepsgrond faalt.

11. [appellant sub 2] stelt dat de gezondheid van zijn koeien gevaar loopt door besmetting met salmonella vanwege het in werking zijn van de inrichting, nu verontreinigde lucht vanuit de inrichting wordt uitgeblazen over zijn melkkoeien in het weiland dat naast de stallen van de inrichting ligt. [appellant sub 2] stelt dat zijn bedrijfsbelang geen onaanvaardbaar risico op salmonellabesmetting verdraagt. Volgens hem heeft het college onvoldoende voorschriften aan de vergunning verbonden om besmettingsgevaar te voorkomen.

11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat aan de bij het bestreden besluit verleende vergunning voldoende voorschriften zijn verbonden om het risico op salmonellabesmetting te voorkomen, dan wel in voldoende mate te beperken. Aan de vergunning heeft het college onder meer voorschriften verbonden over het schoon en ordelijk houden van de inrichting, de behandeling van mest, het dagelijks afvoeren van mest naar een gesloten opslag en het bewaren van voer en kadavers.

11.2. De bestrijding van besmettelijke dierziekten is primair geregeld in andere wetgeving dan de Wet milieubeheer. Voor zover met het aspect besmetting in het kader van de Wet milieubeheer rekening kan worden gehouden, wordt overwogen dat het, gelet op hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, niet onaannemelijk is dat verspreiding van salmonella via stofdeeltjes en aerosolen in de lucht kan plaatsvinden met als gevolg een risico op salmonellabesmetting. [appellant sub 2] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de inrichting in de aangevraagde situatie een onaanvaardbaar risico op salmonellabesmetting met zich brengt. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er niet een zodanig risico op salmonellabesmetting is dat aan de vergunning nadere voorschriften moesten worden verbonden, dan wel dat de vergunning om die reden moest worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

12. [appellant sub 2] stelt dat het in werking zijn van de inrichting zodanige risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden, dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. [appellant sub 2] heeft deze beroepsgrond niet gemotiveerd. Reeds daarom kan zij niet slagen.

13. De beroepen zijn ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

628.