Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201208332/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:2473, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vergroten van een woning en het bouwen van twee schuurtjes en een overkapping op het perceel [locatie a] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208332/1/A1.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente

Schouwen-Duiveland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 5 juli 2012 in zaak nr. 12/537 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] bouwvergunning te verlenen voor het gedeeltelijk vergroten van een woning en het bouwen van twee schuurtjes en een overkapping op het perceel [locatie a] te [plaats].

Bij besluit van 11 november 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.T.J. de Jong, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het bestemmingsplan "Hogeweg" rust op het gedeelte van het perceel, waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd, de bestemming "Natuurgebied".

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor behoud en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijk waarden.

Ingevolge het tweede lid, mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd indien geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de waarden van het natuurgebied.

2. Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd met de bestemming.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat voor het bouwen van de uitbouw aan de woning ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: het Bblb) geen bouwvergunning nodig is. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan voldoet aan alle in dat artikel vermelde kenmerken. Volgens [appellant] hoeft, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de uitbouw niet te worden gerealiseerd op het erf.

3.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals deze bepaling luidde tot 1 oktober 2010, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, zoals deze bepaling luidde tot 1 oktober 2010, is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van het Bblb, zoals deze bepaling luidde tot 1 oktober 2010, wordt, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt:

a. het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1° gebouwd aan:

a) de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen, of

b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 m van het voorerf en meer dan 1 m van het naburige erf,

2° niet hoger dan:

a) 4 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein,

b) 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van die woning of dat woongebouw, en

c) de woning of het woongebouw,

3° gebouwd binnen de breedte van de gevel waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd,

4° minder dan 2,5 m diep,

5° zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd, en 6° niet gebouwd aan een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, aan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of aan een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwde perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt.

3.2. De uitbouw wordt gerealiseerd aan de oorspronkelijke zuid- en westgevel van de woning. De diepte van deze uitbouw, gemeten vanaf de westgevel is 3,90 m. Gemeten vanaf de zuidgevel is de diepte 6,40 m. Nu niet wordt voldaan aan artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 4?, is de uitbouw reeds daarom niet bouwvergunningvrij.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 5 van het Ontheffingenbeleid 2010. Hij voert hiertoe aan dat de op de gronden rustende bestemming het gebruik van die gronden als erf niet verbiedt.

4.1. Het college heeft ter uitvoering van de bevoegdheid om met toepassing van 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) vrijstelling te verlenen voor bouwwerken als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: de Bro) beleidsregels vastgesteld die zijn vervat in de nota "Beleidsregels artikel 3.23 Wet ruimtelijke ordening 2010" (hierna: het Ontheffingenbeleid).

Volgens artikel 1 van het Ontheffingenbeleid wordt onder erf verstaan het bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt. Artikel 5 van het Ontheffingenbeleid heeft betrekking op de uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning buiten de bebouwde kom. In dat artikel zijn de specifieke beleidsregels weergegeven voor het verlenen van ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro. In artikel 5, onder D, is vermeld dat de specifieke beleidsregels in principe niet gelden voor gronden buiten het bouwvlak of met de aanduiding 'zonder gebouwen' of de bestemming 'tuin', tenzij op grond van het bestemmingsplan op de bestemming 'tuin' gebouwen mogen worden gebouwd.

4.2. Ter zitting is vastgesteld dat het bouwwerk wordt gerealiseerd buiten het bouwvlak, op gronden waarop de bestemming "Natuurgebied" rust. De als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor behoud en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en/of natuurwetenschappelijk waarden. Deze omschrijving verzet zich tegen het gebruik van de gronden als erf. Hierbij wordt nog in aanmerking genomen dat in de toelichting bij artikel 1 van het Ontheffingenbeleid is vermeld dat onder erf in ieder geval niet wordt begrepen gronden met de bestemming "Natuurgebied". Gelet hierop heeft de rechtbank terecht aanleiding gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan het ontheffingenbeleid.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Hij voert hiertoe aan dat de op het perceel [locatie b] verschillende bouwwerken worden gebouwd op gronden met de bestemming "Natuurgebied", hetgeen door het college wordt toegestaan.

5.1. De rechtbank is op dit betoog ingegaan. Zij heeft bezien in hoeverre er ten aanzien van de met bouwvergunning gebouwde woning en overige bouwwerken en werkzaamheden op het perceel [locatie b] met het bouwplan van [appellant] vergelijkbare gevallen bestaan. Dat, zoals [appellant] betoogt, op het perceel [locatie b] gebouwen worden gebouwd en werkzaamheden worden verricht op gronden met de bestemming "Natuurgebied", zonder de daarvoor benodigde vergunning, betekent niet dat het college deze bouwwerken en werkzaamheden toestaat. In zoverre bestaan er, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dan ook geen gelijke gevallen.

Dat het college onder verlening van ontheffing bouwvergunning heeft verleend voor een woning op het perceel [locatie b] maakt evenmin dat gelijke gevallen bestaan. Er is bouwvergunning verleend voor het groter uitvoeren van een woning; het bouwblok was slechts 38 m² en maakte volgens het college redelijke bewoning niet mogelijk. Aan [appellant] is in 1999 al een vergelijkbare vergunning voor een woning verleend. Het bij deze woning bouwen van een uitbouw, twee bijgebouwen en een overkapping is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet vergelijkbaar met het bouwen van een hoofdgebouw op het perceel [locatie b].

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat dat met toepassing van artikel 10 van het Ontheffingenbeleid van het beleid moet worden afgeweken. Hij voert daartoe aan dat toepassing van het Ontheffingenbeleid tot willekeur leidt.

6.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de onderhavige situatie geen aanleiding bestaat in positieve zin van de beleidsregels af te wijken en ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen. Hetgeen [appellant] aanvoert, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. De niet nader toegelichte stelling dat toepassing van het beleid tot willekeur leidt, is daarvoor niet voldoende.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

270.