Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8406

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201202458/1/A2 en 201202462/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vast staat dat de Belastingdienst op 5 maart 2010 een digitale aanvraag om tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor de jaren 2009 en 2010 heeft ontvangen op naam en adres van appellant. Voor het indienen daarvan is vereist dat deze door de aanvrager met zijn DigiD wordt ondertekend. DigiD is een persoonlijke inlogcode, voorzien van een wachtwoord, waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. Nu de aanvraag op naam van appellant is gedaan, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag door hem is ingediend, of dat de aanvraag is ingediend door iemand aan wie appellant zijn DigiD ter beschikking heeft gesteld. In het laatste geval zijn de aanvragen aan appellant toe te rekenen. De gebruikersnaam en het wachtwoord voor de DigiD zijn immers strikt persoonlijk.

Het voorgaande laat onverlet dat ter zitting is komen vast te staan dat het gedurende een beperkte periode in 2010 mogelijk is geweest om met een DigiD een aanvraag in te dienen op naam van een ander. De Belastingdienst heeft niet kunnen achterhalen of appellant ten tijde van de aanvraag de beschikking heeft gehad over een DigiD en met gebruik van wiens DigiD de aanvragen namens appellant zijn ingediend. Het kan dan ook niet uitgesloten worden geacht dat een derde door middel van een door hem aangemaakte DigiD een aanvraag op naam van appellant heeft ingediend, zonder dat appellant hiervan op de hoogte was. In dat geval zijn de aanvragen niet aan appellant toe te rekenen. Daarbij komt dat, zoals de Belastingdienst voorts heeft aangegeven, de FIOD geen uitputtend onderzoek heeft gedaan naar de betrokkenheid van de personen op wier naam de aanvragen kinderopvangtoeslag zijn gedaan en dat geen onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn waaruit betrokkenheid van appellant kan worden afgeleid. Bovendien zijn ook andere gevallen bekend waarbij B.V. toeslagen op naam dan wel met de DigiD van anderen heeft aangevraagd. Onder deze omstandigheden heeft de Belastingdienst op grond van de beschikbare gegevens de aanvragen dan ook niet aan appellant mogen toerekenen. Dit betekent dat de Belastingdienst in dit geval de reeds uitbetaalde voorschotten niet van appellant mocht terugvorderen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 14
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 16
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:16
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2013/146 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JB 2013/125 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202458/1/A2 en 201202462/1/A2

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant], wonend te Alphen aan den Rijn,

appellant,

tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 januari 2012 in zaken nrs. 11/2214 en 11/2217 in de gedingen tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 12 augustus 2010 heeft de Belastingdienst de aan [appellant] over de jaren 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en op nihil gesteld en de reeds uitbetaalde voorschotten van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 4 februari 2011 heeft de Belastingdienst het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraken van 25 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 22 november 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 11 december 2012 heeft de Afdeling de Belastingdienst in de gelegenheid gesteld te reageren op een aantal vragen.

Bij brief van 18 januari 2013 heeft de Belastingdienst van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] hierop gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft de zaken vanwege de onderlinge samenhang gevoegd behandeld.

2. Op 5 maart 2010 is op naam van [appellant] een aanvraag kinderopvangtoeslag voor de jaren 2009 en 2010 door de Belastingdienst ontvangen.

Bij besluit van 4 mei 2010 is aan [appellant] een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 van € 26.683,00 toegekend.

Bij besluit van 6 mei 2010 is aan [appellant] een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2010 van € 26.871,00 toegekend.

Bij besluiten van 12 augustus 2010 is bepaald dat [appellant] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010 en dat de eerder verleende voorschotten terugbetaald dienen te worden.

De Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) heeft onderzoek verricht onder meer naar de aan [appellant] over de jaren 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag.

3. Niet in geschil is dat [appellant] over de jaren 2009 en 2010 geen recht had op kinderopvangtoeslag. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de aanvragen die op naam van [appellant] zijn ingediend in dit geval ook voor diens rekening komen zodat de Belastingdienst de ten onrechte uitgekeerde voorschotten ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) bij hem mag terugvorderen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten.

4.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.

4.2. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb mag slechts van het horen worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2007 in zaak nr. 200704764/1; www.raadvanstate.nl), dient de beslissing om met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen af te zien, te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld. Hetgeen [appellant] in het bezwaarschrift heeft aangevoerd ten betoge dat hij de aanvraag niet zelf heeft ingediend en dat hij de kinderopvangtoeslag niet zelf heeft ontvangen, rechtvaardigde niet de conclusie dat reeds aanstonds duidelijk was dat zijn bezwaren ongegrond waren en daarover redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was. Het besluit van 4 februari 2011 is derhalve in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb tot stand gekomen. De rechtbank is hier ten onrechte aan voorbijgegaan. De aangevallen uitspraken en dat besluit komen reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. In verband met de vraag of toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:72, derde of vierde lid, van de Awb, zal de Afdeling overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand feit heeft aangenomen dat hij de aanvragen kinderopvangtoeslag over de jaren 2009 en 2010 zelf heeft ingediend. Volgens [appellant] heeft identiteitsfraude plaatsgevonden en zijn de aanvragen door een voor hem onbekende derde, Rosane B.V., ingediend. De toeslag is op het rekeningnummer van deze B.V. overgemaakt, waardoor hij zelf nooit de beschikking heeft gehad over het geld. Nu dit rekeningnummer niet op naam van [appellant] staat en de aanvragen ook andere fouten bevatten, heeft de Belastingdienst door zonder nader onderzoek de voorschotten kinderopvangtoeslag op het rekeningnummer over te maken, onzorgvuldig gehandeld en mag het deze voorschotten niet bij hem terugvorderen. Dat dergelijke fraude door middel van DigiD mogelijk is, toont aan dat DigiD onvoldoende betrouwbaar is en niet aan het vereiste van ondertekening als bedoeld in artikel 2:16 van de Awb voldoet, aldus [appellant].

5.1. Ingevolge artikel 2:16 van de Awb is aan het vereiste van ondertekening voldaan door een elektronische handtekening, indien de methode die daarbij voor authentificatie is gebruikt voldoende betrouwbaar is, gelet op de aard en de inhoud van het elektronische bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt.

5.2. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir, wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst. Deze kan daarbij in beginsel uitgaan van de juistheid van een aanvraag. Vast staat dat de Belastingdienst op 5 maart 2010 een digitale aanvraag om tegemoetkoming kinderopvangtoeslag voor de jaren 2009 en 2010 heeft ontvangen op naam en adres van [appellant]. Voor het indienen daarvan is vereist dat deze door de aanvrager met zijn DigiD wordt ondertekend. DigiD is een persoonlijke inlogcode, voorzien van een wachtwoord, waarmee een persoon zich kan identificeren op websites van de overheid. Nu de aanvraag op naam van [appellant] is gedaan, moet het er in beginsel voor worden gehouden dat de aanvraag door hem is ingediend, of dat de aanvraag is ingediend door iemand aan wie [appellant] zijn DigiD ter beschikking heeft gesteld. In het laatste geval zijn de aanvragen aan [appellant] toe te rekenen. De gebruikersnaam en het wachtwoord voor de DigiD zijn immers strikt persoonlijk.

5.3. Het voorgaande laat onverlet dat ter zitting is komen vast te staan dat het gedurende een beperkte periode in 2010 mogelijk is geweest om met een DigiD een aanvraag in te dienen op naam van een ander. De Belastingdienst heeft, na hiertoe door de Afdeling in de gelegenheid te zijn gesteld, niet kunnen achterhalen of [appellant] ten tijde van de aanvraag de beschikking heeft gehad over een DigiD en met gebruik van wiens DigiD de aanvragen namens [appellant] zijn ingediend. Het kan dan ook niet uitgesloten worden geacht dat een derde door middel van een door hem aangemaakte DigiD een aanvraag op naam van [appellant] heeft ingediend, zonder dat [appellant] hiervan op de hoogte was. In dat geval zijn de aanvragen niet aan [appellant] toe te rekenen. Daarbij komt dat, zoals de Belastingdienst voorts heeft aangegeven, de FIOD geen uitputtend onderzoek heeft gedaan naar de betrokkenheid van de personen op wier naam de aanvragen kinderopvangtoeslag zijn gedaan en dat geen onderzoeksbevindingen beschikbaar zijn waaruit betrokkenheid van [appellant] kan worden afgeleid. Bovendien zijn ook andere gevallen bekend waarbij Rosane B.V. toeslagen op naam dan wel met de DigiD van anderen heeft aangevraagd. Onder deze omstandigheden heeft de Belastingdienst op grond van de beschikbare gegevens de aanvragen dan ook niet aan [appellant] mogen toerekenen. Dit betekent dat de Belastingdienst in dit geval de reeds uitbetaalde voorschotten niet van [appellant] mocht terugvorderen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

6. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte twee uitspraken heeft gewezen waardoor in hoger beroep twee keer griffierecht moest worden betaald, slaagt dit betoog eveneens. De rechtbank heeft niet onderkend dat de Belastingdienst voor de jaren 2009 en 2010 één besluit op bezwaar heeft genomen waartegen één beroepschrift is ingediend. De omstandigheid dat de rechtbank twee uitspraken heeft gedaan, waardoor [appellant] ingevolge het ten tijde van belang zijnde artikel 51, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor het hoger beroep tweemaal griffierecht was verschuldigd, dient daarom niet voor diens rekening te komen. De secretaris van de Raad van State zal eenmaal griffierecht aan [appellant] terugstorten.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 4 februari 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met de artikelen 7:2, eerste lid, en 3:4, tweede lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 16, vijfde lid, van de Awir, voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. De besluiten van 12 augustus 2010 dienen te worden herroepen voor zover daarmee de reeds uitbetaalde voorschotten van [appellant] worden teruggevorderd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

8. De Belastingdienst dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 januari 2012 in zaken nrs. 11/2214 en 11/2217;

III. verklaart het door [appellant] bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 4 februari 2011, kenmerk BEZ06 BT07;

V. herroept de besluiten van 12 augustus 2010, kenmerk 2467.26.404.T.09.0.0201 en 2467.26.404.T.10.0.0201, voor zover daarmee de reeds uitbetaalde voorschotten van [appellant] worden teruggevorderd;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 februari 2011;

VII. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.990,04 (zegge negentienhonderdnegentig euro en vier cent), waarvan € 1.888,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,00 (zegge: tweehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

IX. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant] eenmaal het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

85-756.