Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201203248/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203248/1/A2.

Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 februari 2012 in zaak nr. 11/16419 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft de minister een verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 15 april 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat partijen daartoe toestemming hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. [appellant] is op zaterdag 13 februari 2010, komende uit Suriname, op Schiphol door de marechaussee de toegang geweigerd en een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd. Bij uitspraak van 18 februari 2010 in de zaken nrs. 10/5844 en 10/5941 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, het daartegen door hem ingestelde beroep gegrond verklaard, de staatssecretaris van justitie opgedragen om hem te behandelen als ware hem van meet af aan toegang tot het Schengengebied verleend, de vrijheidsbenemende maatregel opgeheven en de staatssecretaris veroordeeld hem € 200,00 aan schadevergoeding te betalen.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen andere schade heeft geleden, heeft miskend dat hij zijn vlucht naar Parijs heeft gemist, telefoonkosten heeft gehad om zijn familie in Suriname en Nederland op de hoogte te stellen, kosten voor juridische bijstand heeft gehad en door de aanhouding, de behandeling door de marechaussee en de vrijheidsbenemende maatregel in zijn eer en goede naam is geschaad en vakantiegenot heeft gederfd. Hij stelt dat hij hierdoor materiële schade, bestaande uit € 471,56 aan ticketkosten, € 100,00 aan telefoongesprekken en € 1.425,95 aan advocaatkosten, en immateriële schade ter hoogte van € 1.500,00 heeft geleden.

2.1. Dat betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de minister de door [appellant] gestelde ticket- en telefoonkosten door hem niet aannemelijk gemaakt hoefde te achten. Hoewel niet in geschil is dat hij ten gevolge van de toegangsweigering en de vrijheidsbenemende maatregel op Schiphol zijn aansluitende vlucht naar Parijs heeft gemist, heeft hij zijn stelling dat hij nadien een nieuw vliegticket moest kopen niet met belegstukken gestaafd. Dat geldt ook voor de gestelde telefoonkosten. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat de door [appellant] gestelde advocaatkosten en reiskosten van zijn advocaat in verband met de procedure tegen de vrijheidsbenemende maatregel onder de forfaitaire proceskostenregeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht vallen en de minister bij de voormelde uitspraak van 18 februari 2010 in zaak in de proceskosten is verwezen.

Zij heeft ook met juistheid overwogen dat de minister terecht door [appellant] niet aannemelijk gemaakt heeft geacht, dat hij door toegangsweigering of de vrijheidsbenemende maatregel lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

507.