Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201204111/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9986, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204111/1/V1.

Datum uitspraak: 18 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 23 maart 2012 in zaak nr. 11/41713 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 27 december 2011 heeft de minister, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 maart 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Op 12 september 1963 hebben de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije bij overeenkomst een associatie tot stand gebracht. Bij besluit 64/732/EEG van 23 december 1963 (PB 1964, 217) heeft de Raad van de Gemeenschap de overeenkomst goedgekeurd en bevestigd.

Op 23 november 1970 heeft de Gemeenschap een Aanvullend Protocol (hierna: het Aanvullend Protocol) ondertekend en gesloten. Het is goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293). Voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden is het Protocol op 1 januari 1973 in werking getreden.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten (hierna: de standstill-bepaling).

Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen of met de aanwezigheid van een vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan een vreemdeling, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de staatssecretaris een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

3. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarop hij de in het besluit door hem gegeven invulling van het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang heeft gebaseerd, dat de Nederlandse markt nog voldoende opnamevermogen heeft voor de dienst of het product dat de vreemdeling met zijn onderneming aanbiedt en dat de onderneming levensvatbaar is en kan worden voortgezet. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat deze invulling een vertaling in economische termen is van de eis dat de onderneming in een behoefte moet voorzien, welke eis voortvloeit uit het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat uit paragraaf B5/7.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) niet eenduidig volgt welke stukken Turkse zelfstandigen moeten overleggen. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank van een onjuiste lezing van voormelde paragraaf uitgaat, doordat zij slechts rekening heeft gehouden met de tekstuele opmaak en niet met de strekking en overige onderdelen van paragraaf B5/7.3 van de Vc 2000. De rechtbank heeft voorts miskend dat hij de vreemdeling heeft geïnformeerd over de over te leggen stukken, aldus de staatssecretaris.

3.1. De staatssecretaris heeft de vreemdeling bij brief van 8 augustus 2011 geïnformeerd over de over te leggen stukken en hem in de gelegenheid gesteld deze binnen een termijn van twee weken over te leggen. De staatssecretaris heeft gewezen op een aantal stukken in verband met het door de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (hierna: de minister van EL&I) uit te brengen advies in het kader van het puntensysteem en die zijn vermeld in paragrafen B5/7.3.3 en B5/7.3.4 van de Vc 2000, waaronder een kopie van de oprichtingsakte van de vennootschap onder firma waaruit de bevoegdheden, de verantwoordelijkheden en de winstverdeling van de vennoten blijken, een onderbouwde marktanalyse, gegevens over de organisatie van de onderneming en een onderbouwd financieel plan. In de brief heeft de staatssecretaris vermeld dat jaarstukken dan wel cijfers moeten zijn opgesteld of goedgekeurd door een onafhankelijke deskundige.

3.2. Volgens paragraaf B5/7.3.3 van de Vc 2000 dient een vreemdeling, voor een door de minister van EL&I met gebruikmaking van het puntensysteem uit te brengen advies, ter beoordeling van zijn aanvraag ten minste een volledig ondernemingsplan over te leggen dat dient te zijn onderbouwd met de in die paragraaf vermelde stukken. Indien geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan wordt overgelegd, biedt de staatssecretaris een termijn van twee weken om dit verzuim te herstellen. Indien een vreemdeling, ook na deze termijn, geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd wijst de staatssecretaris de aanvraag, zonder voorlegging aan de minister van EL&I voor advies, af omdat niet wordt aangetoond dat met de te verrichten arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend. De paragraaf vermeldt verder dat jaarstukken dan wel cijfers moeten zijn opgesteld of goedgekeurd door een onafhankelijke deskundige, bijvoorbeeld bij financiering door een Nederlandse bank. Het hoeft niet speciaal een registeraccountant of een accountant administratieconsulent te zijn, een boekhouder of een financieel adviseur is voldoende.

Volgens paragraaf B5/7.3.4 moet het ondernemingsplan in ieder geval blijk geven van informatie over de onderwerpen vermeld in die paragraaf, te weten 'Persoonlijke gegevens', 'Bedrijfsgegevens', 'Juridische zaken', 'Commercieel plan', 'Managementplan' en 'Financieel plan'.

Volgens paragraaf B5/7.3.2, kan het puntensysteem in verband met de standstill-bepaling niet worden toegepast op aanvragen om verblijf van Turkse vreemdelingen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige en baseert de minister van EL&I zijn adviezen over deze Turkse vreemdelingen daarom op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt en de werkgelegenheidseffecten.

3.3. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 27 december 2011 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, zijn aanvraag niet met voldoende stukken heeft onderbouwd. Het bedrijf van de vreemdeling is een vennootschap met één andere vennoot, tot welke vennootschap hij volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel op 1 oktober 2010 als vennoot is toegetreden, maar volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling geen oprichtingsakte overgelegd en kan uit de stukken die de vreemdeling heeft overgelegd niet worden afgeleid wat de verdeling is van taken, investeringen en inkomsten tussen de vreemdeling en de andere vennoot en is daarom niet vast te stellen welke bijdrage de vreemdeling persoonlijk aan de vennootschap levert. Voorts heeft de vreemdeling geen stukken ter onderbouwing van de marktanalyse en het financieel plan overgelegd en heeft de vreemdeling de overgelegde financiële gegevens niet voorzien van een bewijsstuk van verificatie door een onafhankelijke deskundige of financiering door een bank. De minister van EL&I kan wegens het ontbreken van voormelde stukken niet beoordelen of de door de vreemdeling beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang dient en de vreemdeling heeft zo niet aangetoond dat hij aan dat vereiste voldoet, aldus de staatssecretaris.

3.4. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200908205/1/V2 heeft overwogen heeft de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat reeds op 1 januari 1973 vreemdelingen slechts voor toelating voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in aanmerking kwamen indien zij met hun aanwezigheid een wezenlijk Nederlands belang dienden en dat een wezenlijk Nederlands belang destijds slechts aanwezig werd geacht indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie leverde. Zodanige bijdrage deed zich slechts voor, indien de betreffende activiteit in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2012 in zaak nr. 201203575/1/V1 volgt dat tegen die achtergrond de vaste gedragslijn van de staatssecretaris dat een onderneming die niet economisch levensvatbaar is en daarom niet kan worden voortgezet reeds om die reden geen wezenlijk Nederlands belang dient, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat. De documentatievereisten vermeld in de paragrafen B5/7.3.3 en B5/7.3.4 van de Vc 2000 zijn, in aanmerking genomen dat deze betrekking hebben op informatie die thans in het licht van de sinds 1 januari 1973 gewijzigde economische omstandigheden nodig is voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een onderneming, niet in strijd met de standstill-bepaling.

3.5. Vaststaat dat een oprichtingsakte en aanvullende stukken ter onderbouwing van zowel de organisatie van de onderneming, de marktanalyse als het financieel plan ontbreken. In reactie op de door de staatssecretaris geboden gelegenheid om alsnog een volledig onderbouwd ondernemingsplan over te leggen, heeft de vreemdeling alleen kopieën van aangiften omzetbelasting overgelegd. Het had de vreemdeling genoegzaam duidelijk kunnen zijn dat de stukken waar de staatssecretaris hem om heeft verzocht relevant zijn voor een beoordeling van zijn aanvraag. Mede in aanmerking genomen dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet en hij ter beoordeling daarvan ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 3.102, eerste lid, van het Vb 2000, gegevens en bescheiden dient over te leggen, heeft de staatssecretaris in redelijkheid van de vreemdeling kunnen verlangen dat hij een oprichtingsakte en stukken ter onderbouwing van de organisatie van de onderneming, waaruit volgt wat de verdeling is van taken, investeringen en inkomsten tussen de vreemdeling en de andere vennoot, de marktanalyse en het financieel plan overlegt. De vreemdeling heeft niet betoogd dat hij daarover niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen. Nu de vreemdeling die stukken, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet heeft overgelegd, heeft de staatssecretaris, volgens paragraaf B5/7.3.3 van de Vc 2000, terecht de aanvraag niet voor advies voorgelegd aan de minister van EL&I en bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de door hem beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang dient.

De grieven slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 27 december 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het besluit van 27 december 2011 in strijd is met de standstill-bepaling, omdat de staatssecretaris zijn aanvraag niet voor advies heeft voorgelegd aan de minister van EL&I, terwijl de staatssecretaris op 1 januari 1973 alle aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel 'arbeid als zelfstandige' voor advies voorlegde aan de minister van Economische Zaken. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat zodanig advies op 1 januari 1973, anders dan thans het geval is, niet steeds door de staatssecretaris werd gevolgd.

5.1. De vreemdeling heeft dit betoog niet nader onderbouwd. De enkele stellingen van de vreemdeling bieden geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de standstill-bepaling heeft geschonden.

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 23 maart 2012 in zaak nr. 11/41713;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2013

412-760.