Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201301037/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ0120, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Afdeling stelt vast dat uit het ambtsbericht blijkt dat niet langer sprake is van een feitelijke belemmering die het reizigers onmogelijk maakt om door de stad Mogadishu te reizen nu de veiligheidssituatie in die stad en op de wegen van en naar het vliegveld is verbeterd. De door de vreemdeling overgelegde stukken nopen niet tot een ander oordeel. Zowel het HRW-artikel als het World Report van HRW melden slechts dat de veiligheidssituatie in delen van Mogadishu is verbeterd, doch dat dit niet betekent dat de situatie stabiel genoeg is om personen terug te sturen. Aan deze stukken kan niet de betekenis worden toegekend die de vreemdeling eraan gehecht wil zien nu hieruit niet kan worden afgeleid dat de situatie in Mogadishu nog steeds van dien aard is dat sprake is van de feitelijke belemmering, bedoeld in de uitspraak van 17 juli 2012. (…) Reeds hierom staat niet op voorhand vast dat zicht op uitzetting naar Zuid- en Centraal-Somalië ontbreekt. (…)

Nu de Somalische autoriteiten evenwel op 29 januari 2013 het MoU van 3 mei 2010 hebben herbevestigd waarbij mede in aanmerking moet worden genomen dat dit MoU betrekking heeft op alle Somaliërs, ongeacht hun herkomstgebied, en dit MoU voorziet in de terugkeer met een EU-staat, staat niet op voorhand vast dat verwijdering van Somalische vreemdelingen via de luchthaven van Mogadishu niet tot de mogelijkheden behoort. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de feitelijke belemmering waarvan ten tijde van de uitspraak van 17 juli 2012 sprake was, (…) niet langer bestaat. Vanaf de luchthaven van Mogadishu kan alsdan over land verder worden gereisd naar de buiten Mogadishu gelegen gebieden. Daarnaast is niet uitgesloten dat vanaf deze luchthaven, via een binnenlandse vlucht, kan worden doorgevlogen naar Somaliland, temeer nu de staatssecretaris onbestreden heeft gesteld dat er bij deze binnenlandse vluchten nauwelijks controles plaatsvinden. Uit het vorenstaande volgt dat niet reeds op voorhand vaststaat dat zicht op uitzetting naar Somaliland ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301037/1/V3

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 24 januari 2013 in zaak nr. 13/767 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 24 januari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 maart 2013, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304

en - rectificatie - PB 2005 L 204) is geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Hierna zal dan ook louter naar deze bepaling worden verwezen.

3. Hetgeen de vreemdeling als grief 1 aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

4. In grief 2 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië niet ontbreekt omdat uit de bij brief van 14 december 2012 van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2012-2013, 19 637, nr. 1595) aangekondigde beleidswijziging over Somalië volgt dat de belemmeringen voor gedwongen terugkeer naar alle delen van Somalië niet langer bestaan aangezien de veiligheidssituatie daar is verbeterd en in Mogadishu niet langer een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000, bestaat.

De vreemdeling voert primair aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de veiligheidssituatie in Mogadishu niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012 in zaak nr. 201202473/1/V3. De vreemdeling wijst in dit kader op het artikel "The Netherlands: Halt Plan to Deport Somalis" van 21 februari 2013 van Human Rights Watch (hierna: het HRW-artikel), de Somalia Factsheet van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) van februari 2013 (hierna: de Factsheet), het World Rapport van Human Rights Watch van 31 januari 2013 (hierna: het World Report van HRW) en het commentaar van Still Human Still Here van 3 december 2012 op de "October 2012 Operational Guidance Note" van de UK Border Agency (hierna: het Still Human Still Here-artikel). Uit deze stukken blijkt dat in heel Somalië onverminderd sprake is van een slechte veiligheidssituatie, aldus de vreemdeling.

Subsidiair betoogt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris hem tracht uit te zetten naar Somaliland, Noord-Somalië. Sinds begin januari 2010 vinden geen uitzettingen meer plaats naar dat gebied omdat de Somalilandse autoriteiten de uitvoering van het Memorandum of Understanding van 1 juni 2009 (hierna: het MoU van 1 juni 2009) hebben opgeschort. In voormelde uitspraak van 17 juli 2012 heeft de Afdeling overwogen dat het zicht op uitzetting naar Somaliland ontbreekt omdat de staatssecretaris volgens eigen zeggen niet aan de noodzakelijke randvoorwaarden kon voldoen. Het is niet duidelijk welke randvoorwaarden dit precies zijn en of hij thans wel aan deze randvoorwaarden kan voldoen. Voorts is onduidelijk of, en zo ja, welke, alternatieve routes bestaan om een vreemdeling via Mogadishu naar Somaliland te laten terugkeren. Uit het Still Human Still Here-artikel volgt dat het voor een persoon uit Somaliland niet mogelijk is om vanaf de luchthaven van Mogadishu zonder gevaar over land naar Somaliland te reizen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de Somalilandse autoriteiten het MoU van 1 juni 2009 hebben opgeschort en Somaliland alleen personen terugneemt die aangeven dat zij afkomstig zijn uit dat gebied, bestaat geen enkele garantie dat de vreemdeling op dit moment zal worden toegelaten tot het Somalilandse grondgebied. Zolang onduidelijk is waarom de in april 2012 geplande vluchten naar Somaliland geen doorgang konden vinden, is de uitspraak van 17 juli 2012 nog steeds van toepassing en ontbreekt zicht op uitzetting naar Somaliland, temeer nu de president van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) op 27 februari 2013 een interim measure heeft toegewezen in een Somalische zaak waarin zij de Nederlandse Staat heeft gevraagd waarom zij personen naar Mogadishu wil uitzetten van wie zij niet gelooft dat zij daar vandaan komen, aldus de vreemdeling.

De veiligheidssituatie in Mogadishu

4.1. In de uitspraak van 17 juli 2012 heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, overwogen dat zicht op uitzetting naar Zuid- en Centraal-Somalië ontbrak omdat het voor een vreemdeling die via de internationale luchthaven van Mogadishu terugkeerde niet mogelijk was om deze luchthaven te verlaten zonder door de stad Mogadishu te reizen. De staatssecretaris stelde zich ten tijde van deze uitspraak op het standpunt dat in de stad Mogadishu een situatie bestond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 en maakte in dat verband geen uitzondering voor het K4-knooppunt en de wegen waarlangs personen vanaf de luchthaven van Mogadishu moesten reizen om de stad Mogadishu te kunnen inreizen of verlaten.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2009 in zaak nr. 200702174/2/V2, betreft de situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3 van de Vw 2000, de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in voormeld artikel bedoelde bedreiging.

4.1.1. De vreemdeling heeft ter zitting bij de Afdeling betoogd dat de veiligheidssituatie in de stad Mogadishu niet is gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012. Hij heeft hiertoe verwezen naar de door hem overgelegde nadere stukken, zoals het HRW-artikel, het World Report van HRW en het Still Human Still Here-artikel.

4.1.2. De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift en ter zitting bij de Afdeling, onder verwijzing naar zijn brief van 14 december 2012 en het algemeen ambtsbericht over Somalië van 30 november 2012, betoogd dat de door de vreemdeling overgelegde stukken het in het ambtsbericht geschetste beeld van de veiligheidssituatie in de stad Mogadishu bevestigen. Volgens dit ambtsbericht was de veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië in de verslagperiode weliswaar onverminderd slecht, maar is in grote delen van de stad Mogadishu een sterke verbetering van de veiligheidssituatie opgetreden omdat Al-Shabaab zich heeft teruggetrokken uit het overgrote deel van de stad. De situatie in de stad Mogadishu is dus zodanig verbeterd dat niet langer gesteld kan worden dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de stad Mogadishu, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 bedoelde bedreiging, aldus de staatssecretaris.

4.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 december 2010 in zaak nr. 201009950/1/V3) leent de bewaringsprocedure zich niet voor een inhoudelijke beoordeling van de door de vreemdeling gestelde uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000.

Dit neemt evenwel, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012, niet weg dat indien in de procedure die heeft geleid tot de inbewaringstelling van de vreemdeling is komen vast te staan dat hij bij zijn uitzetting onvermijdelijk terecht zal komen in een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie, als hiervoor bedoeld, reeds op voorhand vaststaat dat uitzetting binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Voor de oplegging van een maatregel van bewaring is in dat geval geen plaats.

Ten tijde van de uitspraak van 17 juli 2012 was sprake van een feitelijke belemmering die maakte dat het zicht op uitzetting naar Somalië ontbrak. De staatssecretaris was voornemens om vreemdelingen uit te zetten naar de internationale luchthaven van Mogadishu. Deze luchthaven kan niet worden verlaten zonder dat er door de stad Mogadishu dient te worden gereisd. Nu de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat thans weer sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Somalië, zal de Afdeling bezien of hij zich terecht op het standpunt stelt dat de feitelijke belemmering, waarvan ten tijde van de uitspraak van 17 juli 2012 sprake was, is vervallen.

4.1.3.1. Voormeld ambtsbericht over Somalië vermeldt in paragraaf 3.2. dat de veiligheidssituatie in Mogadishu gedurende de verslagperiode slecht was, zij het dat hier en daar sterke verbeteringen optraden. De inwoners van Mogadishu, ook vrouwen, kunnen zich - zolang zij zich niet met politiek of ngo's inlaten - ongehinderd door de stad verplaatsen, ook als zij van het ene district naar het andere gaan. De markten in de stad, zoals de Bakara markt, zijn weer vrij toegankelijk. Nu de straatverlichting is hersteld bij sommige markten, straten en buurten in Mogadishu, gaan de inwoners ook weer 's avonds de straat op. Na de terugtrekking van Al-Shabaab in augustus 2011 kwam het normale leven weer enigszins op gang, vooral in de wijk Hamar Weyne. Begin juli 2012 zijn ongeveer een miljoen inwoners teruggekeerd in Mogadishu. Door de verbeterde veiligheidssituatie reisden ook veel Somaliërs uit Canada, de VS en Europa naar Mogadishu, op zoek naar mogelijkheden om zaken te doen, te investeren of zich politiek te profileren. Vluchten zaten in de verslagperiode vol met Somaliërs die zich ofwel een beeld wilden vormen van de situatie of terugkeerden. De wegen van en naar het vliegveld zijn ten opzichte van de vorige verslagperiode enigszins verbeterd. Veel families uit de diaspora en zakenlui komen per vliegtuig aan in Mogadishu. Reizigers worden veelal opgehaald door familie of vrienden. Ook kunnen ze een taxi nemen om de stad in te gaan.

4.1.3.2. De Afdeling stelt vast dat uit het ambtsbericht blijkt dat niet langer sprake is van een feitelijke belemmering die het reizigers onmogelijk maakt om door de stad Mogadishu te reizen nu de veiligheidssituatie in die stad en op de wegen van en naar het vliegveld is verbeterd. De door de vreemdeling overgelegde stukken nopen niet tot een ander oordeel. Zowel het HRW-artikel als het World Report van HRW melden slechts dat de veiligheidssituatie in delen van Mogadishu is verbeterd, doch dat dit niet betekent dat de situatie stabiel genoeg is om personen terug te sturen. Aan deze stukken kan niet de betekenis worden toegekend die de vreemdeling eraan gehecht wil zien nu hieruit niet kan worden afgeleid dat de situatie in Mogadishu nog steeds van dien aard is dat sprake is van de feitelijke belemmering, bedoeld in de uitspraak van 17 juli 2012.

4.1.4. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke belemmering, waarvan ten tijde van de uitspraak van 17 juli 2012 sprake was, is vervallen. Reeds hierom staat niet op voorhand vast dat zicht op uitzetting naar Zuid- en Centraal-Somalië ontbreekt.

Zicht op uitzetting naar Somaliland

4.2. De staatssecretaris heeft ter zitting bij de Afdeling, onder verwijzing naar zijn verweerschrift, betoogd dat uitzetting naar Somaliland op grond van het MoU van 1 juni 2009 nog steeds niet mogelijk is, doch dat een delegatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek op 29 januari 2013, in een gesprek met de State Secretary van het Ministerie voor Veiligheid en Binnenlandse Zaken van de Federale regering en het Hoofd Immigratie van de internationale luchthaven van Mogadishu, heeft vernomen dat de met de Transitional Federal Government gemaakte afspraken, neergelegd in het Memorandum of Understanding van 3 mei 2010 (hierna: het MoU van 3 mei 2010), nog altijd gelden. Deze afspraken houden in dat alle Somalische vreemdelingen ongeacht hun herkomst, zowel gedwongen als vrijwillig, bij de inreis gebruik kunnen maken van een zogeheten EU-staat. Een vreemdeling zal vier weken van te voren bij de bevoegde immigratieautoriteiten op de internationale luchthaven van Mogadishu worden aangemeld en na die vier weken kan hij vervolgens worden uitgezet met een EU-staat. Hij zal dan eerst onder begeleiding van escortes van de Koninklijke Marechaussee naar de luchthaven van Nairobi, Kenia, reizen en op die luchthaven overstappen op een vlucht naar Mogadishu. Bij zijn uitzetting ontvangt hij een geldbedrag en als hij daarmee vanuit Mogadishu wenst door te reizen naar een andere bestemming binnen het grondgebied van de republiek Somalië, waaronder Puntland en Somaliland, is hij in de gelegenheid om dit zelf te regelen. Mocht hij ervoor kiezen om per vliegtuig verder te reizen, dan kan hij in Mogadishu kiezen voor een binnenlandse vlucht naar onder meer Berbera in Puntland of Hargeisa in Somaliland. Bij binnenlandse vluchten vinden nauwelijks controles van grensdocumenten plaats. De uitzetting voor de vreemdeling staat gepland voor 4 mei 2013, aldus de staatssecretaris.

4.2.1. Vaststaat dat uitzetting op grond van het MoU van 1 juli 2009 nog immer niet mogelijk is. Dit MoU had evenwel betrekking op rechtstreekse uitzettingen vanuit het buitenland naar Somaliland. Om die reden heeft de staatssecretaris begin 2012 onderzocht of vreemdelingen uit Somaliland via een binnenlandse vlucht via de luchthaven van Mogadishu konden terugkeren naar Somaliland. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris te kennen gegeven dat de in april 2012 geplande uitzettingen op deze wijze geen doorgang konden vinden omdat destijds geen garantie bestond dat ook vreemdelingen uit Somaliland met een EU-staat zouden worden toegelaten tot de luchthaven van Mogadishu. Nu de Somalische autoriteiten evenwel op 29 januari 2013 het MoU van 3 mei 2010 hebben herbevestigd waarbij mede in aanmerking moet worden genomen dat dit MoU betrekking heeft op alle Somaliërs, ongeacht hun herkomstgebied, en dit MoU voorziet in de terugkeer met een EU-staat, staat niet op voorhand vast dat verwijdering van Somalische vreemdelingen via de luchthaven van Mogadishu niet tot de mogelijkheden behoort. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de feitelijke belemmering waarvan ten tijde van de uitspraak van 17 juli 2012 sprake was, zoals hiervoor onder 4.1.3.2. is uiteengezet, niet langer bestaat. Vanaf de luchthaven van Mogadishu kan alsdan over land verder worden gereisd naar de buiten Mogadishu gelegen gebieden. Daarnaast is niet uitgesloten dat vanaf deze luchthaven, via een binnenlandse vlucht, kan worden doorgevlogen naar Somaliland, temeer nu de staatssecretaris onbestreden heeft gesteld dat er bij deze binnenlandse vluchten nauwelijks controles plaatsvinden.

4.2.2. Uit het vorenstaande volgt dat niet reeds op voorhand vaststaat dat zicht op uitzetting naar Somaliland ontbreekt.

4.3. Voor zover de vreemdeling meent dat uit de interim measure van de president van het EHRM van 27 februari 2013 volgt dat zicht op uitzetting naar Somalië ontbreekt, faalt dit betoog. In deze interim measure heeft de president van het EHRM niet gemotiveerd waarom het EHRM de Nederlandse Staat verzoekt de betrokken vreemdeling niet uit te zetten en bij gebreke van enige motivering kan daaruit niet worden afgeleid of deze betekenis heeft voor andere dan de betrokken vreemdeling en, zo ja, welke. De door het EHRM aan de Nederlandse regering gestelde vragen bieden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat geen Somaliërs kunnen worden uitgezet totdat de Nederlandse regering deze vragen heeft beantwoord.

4.4. De grief faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

347-644