Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ8377

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2013
Datum publicatie
24-04-2013
Zaaknummer
201300733/2/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een oprichtingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het breken en zeven van steenachtige materialen en het scheiden van gemengd bouw- en sloopafval, met gemengd bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval en particulier gemengd verbouwingsafval, aan de [locatie] te Midwolde.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/272 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300733/2/A4.

Datum uitspraak: 15 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op twee verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1] en anderen, allen wonend te Leek,

2. [verzoekster sub 2], gevestigd te Lichtenvoorde, gemeente Oost Gelre, als rechtsopvolger van [vergunninghoudster],

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2012 heeft het college aan [vergunninghoudster] een oprichtingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het breken en zeven van steenachtige materialen en het scheiden van gemengd bouw- en sloopafval, met gemengd bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval en particulier gemengd verbouwingsafval, aan de [locatie] te Midwolde.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoekster sub 2] beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en anderen en [verzoekster sub 2] hebben de voorzitter verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 april 2013, waar [verzoeker sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, [verzoekster sub 2], vertegenwoordigd door mr. C.W. Kniestedt, advocaat te Amsterdam, H.I. Deegens en K. Stroop, en het college, vertegenwoordigd door A. Ayal, J.H. Veerkamp, F.J.H. IJpelaar en J.H.E. Truin, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Verzoek [verzoeker sub 1] en anderen

2. [verzoeker sub 1] en anderen stellen stof- en geluidoverlast te ondervinden vanwege de inrichting. Zij verzoeken in verband hiermee in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak primair om het treffen van een voorlopige voorziening die inhoudt dat het besluit van 11 december 2012 wordt geschorst. Subsidiair verzoeken zij om het treffen van een voorlopige voorziening die inhoudt dat de op- en overslagactiviteiten op het buitenterrein van de inrichting onmiddellijk worden stilgelegd en dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften 6.1.3 en 6.1.4 direct in werking treden. Meer subsidiair verzoeken [verzoeker sub 1] en anderen de voorzitter om het treffen van een gepaste voorlopige voorziening die erop ziet dat omwonenden niet langer stof- en geluidoverlast ondervinden vanwege de inrichting.

2.1. [verzoeker sub 1] en anderen hebben ter zitting te kennen gegeven dat zij primair om schorsing van het gehele besluit van 11 december 2012 verzoeken, omdat zij wensen dat de inrichting volledig wordt stilgelegd. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat wanneer de voorzitter het besluit van 11 december 2012 schorst het de inrichting niet stillegt. Volgens het college wordt in dat geval waarschijnlijk, zoals thans ook van kracht is, een partieel handhavingsbesluit genomen dat inhoudt dat de inrichting onder het stellen van voorwaarden in werking mag blijven. Wanneer de inrichting wel wordt stilgelegd in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak heeft dit aanzienlijke nadelige gevolgen voor [verzoekster sub 2]. Gelet hierop weegt het belang van [verzoekster sub 2], bij een afweging van de belangen van omwonenden, van de bescherming van het milieu en van [verzoekster sub 2], in zoverre zwaarder. Onder deze omstandigheden wordt het verzoek om schorsing van het gehele besluit van 11 december 2012 afgewezen.

[verzoekster sub 2] heeft ter zitting meegedeeld dat het staken van de op- en overslagactiviteiten op het buitenterrein van de inrichting en het onmiddellijk in werking treden van de vergunningvoorschriften 6.1.3 en 6.1.4 ertoe leidt dat de inrichting wordt stilgelegd. De op- en overslagactiviteiten kunnen volgens [verzoekster sub 2] niet ergens anders plaatsvinden en om te kunnen voldoen aan de voorschriften 6.1.3 en 6.1.4 dienen eerst maatregelen genomen te worden die moeten worden voorafgegaan door een onderzoek. Niet gebleken is dat hetgeen [verzoekster sub 2] heeft meegedeeld onjuist is. Zoals hiervoor is overwogen weegt bij stillegging van de inrichting het belang van [verzoekster sub 2] zwaarder dan het belang van [verzoeker sub 1] en anderen en het belang van de bescherming van het milieu, zodat ook in zoverre het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Voorts bestaat geen aanleiding tot het treffen van een andere voorlopige voorziening dan hiervoor genoemd, reeds nu [verzoeker sub 1] en anderen niet duidelijk hebben gemaakt wat deze voorziening dient in te houden.

Verzoek [verzoekster sub 2]

3. [verzoekster sub 2] heeft verzocht om schorsing van het besluit van 11 december 2012 voor zover hierbij de voorschriften 3.2.1, 6.2.3, 7.1.7, 7.1.8, 8.1.2, 8.1.3, 8.1.4, 8.3.1, 8.3.2 en 8.3.3 aan de vergunning zijn verbonden.

3.1. In voorschrift 3.2.1 is bepaald dat het bij de aanvraag gevoegde acceptatiebeleid binnen 2 weken na het van kracht worden van de vergunning zodanig moet zijn aangepast dat duidelijk is dat:

-de afvalstromen (Euralcodes) 17 03 03 (koolteer en met teer behandelde producten) en 19 12 06 (hout dat gevaarlijke stoffen bevat) niet binnen de inrichting worden bewerkt;

-grofvuil (20 03 07) alleen mag worden geaccepteerd indien dit is voorgesorteerd;

-indien een afvalstroom vuilniszakken of bruin- of witgoed bevat, deze verontreinigingen direct uit de afvalstroom worden verwijderd.

3.1.1. Ter zitting heeft [verzoekster sub 2] te kennen gegeven dat zij geen bezwaren heeft tegen hetgeen in voorschrift 3.2.1 onder het eerste streepje is bepaald. Ten aanzien van hetgeen onder het tweede streepje is bepaald heeft [verzoekster sub 2] gesteld hiertegen ook geen bezwaren te hebben nu het college ter zitting heeft vermeld dat met ‘grofvuil’ huishoudelijk grofvuil wordt bedoeld. Tegen hetgeen onder het derde streepje is bepaald heeft [verzoekster sub 2] ook geen bezwaren wanneer zoals het college ter zitting heeft medegedeeld met ‘direct’ binnen 2 werkdagen wordt bedoeld. Gelet hierop is er geen aanleiding om wat betreft voorschrift 3.2.1 een voorlopige voorziening te treffen.

3.2. In voorschrift 6.2.3 is bepaald dat uiterlijk drie maanden na het van kracht worden van de vergunning aan het bevoegd gezag een rapportage moet worden overgelegd, waarin de gekozen maatregelen om aan de voorschriften 6.1.3 en 6.1.4 te voldoen, alsmede de gevolgen daarvan voor het LAr,LT en LAmax van de gehele inrichting, worden beschreven.

3.2.1. [verzoekster sub 2] heeft niet verzocht om schorsing van het bestreden besluit voor zover het de voorschriften 6.1.3 en 6.1.4 betreft. In deze voorschriften is bepaald dat na een half jaar na het van kracht worden van de vergunning aan de hierin gestelde geluidgrenswaarden dient te worden voldaan. Nu [verzoekster sub 2] in zoverre niet om schorsing van het bestreden besluit heeft verzocht dient in principe na een half jaar na het van kracht worden van de vergunning te worden voldaan aan deze geluidgrenswaarden. Het opstellen van een rapportage zoals omschreven in voorschrift 6.2.3 is gelet hierop niet onevenredig bezwarend. Het verzoek van [verzoekster sub 2] wordt daarom wat betreft voorschrift 6.2.3 afgewezen.

3.3. In voorschrift 7.1.7 is bepaald dat vergunninghouder binnen twee maanden na het van kracht worden van de vergunning bij gedeputeerde staten een werkinstructie voor het gebruik van de vernevelingsinstallaties, zijnde de instructie waarin wordt aangegeven welke (organisatorische) maatregelen dienen te worden getroffen voor een optimaal, doelmatig en functioneel gebruik van de vernevelingsinstallaties die als stofbestrijding worden ingezet, moet indienen.

In voorschrift 7.1.8 is bepaald dat vier maanden na het van kracht worden van de vergunning de in voorschrift 7.1.7 bedoelde werkinstructie binnen de inrichting aanwezig moet zijn.

3.3.1. [verzoekster sub 2] wil niet aan deze voorschriften voldoen, omdat hetgeen hierin is bepaald terugslaat op voorschrift 7.1.1. In dit voorschrift is bepaald dat in de inrichting binnen het vak van de brekerzone/puinbreeklocatie en het vak van de opslag- en verladinglocatie van hout geen stofontwikkeling mag optreden die op een afstand van meer dan 2 meter, van een aldaar uitgevoerde handeling visueel waarneembaar is en dat buiten de vakken van de brekerzone/puinbreekinstallatie en de opslag- en verladinglocatie van hout geen visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden. Volgens [verzoekster sub 2] kan zij niet aan dit voorschrift voldoen. [verzoekster sub 2] heeft niet om schorsing van het bestreden besluit verzocht voor zover het dit voorschrift betreft, zodat hieraan direct vanaf de inwerkingtreding van het besluit van 11 december 2012 voldaan dient te worden. Het opstellen van de in de voorschriften 7.1.7 en 7.1.8 genoemde werkinstructie is gelet hierop niet onevenredig bezwarend. Het verzoek van [verzoekster sub 2] wordt in zoverre afgewezen.

3.4. In voorschrift 8.1.2 is bepaald dat vergunninghouder binnen drie maanden nadat de vergunning van kracht is geworden, een waterbesparingplan moet overleggen waarin wordt beschreven hoe het verbruik van grondwater kan worden beperkt door het opvangen van (meer) hemelwater. In het waterbesparingplan moet zijn aangegeven welke maatregelen voor de volgende vier jaar als zeker, onzeker en voorwaardelijk moeten worden aangemerkt.

In voorschrift 8.1.3 is de termijn bepaald waarbinnen het waterbesparingplan dient te worden uitgevoerd.

In voorschrift 8.1.4 is bepaald onder welke voorwaarden vergunninghouder alternatieve maatregelen mag nemen.

3.4.1. In voorschrift 8.1.1 is bepaald dat ten behoeve van het tegengaan van stofverspreiding zoveel mogelijk gebruik moet worden gemaakt van hemelwater. [verzoekster sub 2] heeft niet om schorsing van het bestreden besluit gevraagd voor zover het dit voorschrift betreft, zodat hieraan vanaf de inwerkingtreding van het besluit van 11 december 2012 dient te worden voldaan. Nu direct na het van kracht worden van het bestreden besluit dient te worden voldaan aan deze verplichting acht de voorzitter het ook in zoverre niet onevenredig bezwarend dat in verband hiermee een waterbesparingplan als bedoeld in voorschrift 8.1.2 dient te worden overgelegd. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom ook in zoverre afgewezen.

3.5. In voorschrift 8.3.1 is bepaald dat de vergunninghouder binnen negen maanden na het van kracht worden van de vergunning een beperkt afvalpreventieonderzoek moet hebben uitgevoerd en overgelegd aan het bevoegd gezag.

In voorschrift 8.3.2 is bepaald dat indien uit de rapportage van het onderzoek als bedoeld in voorschrift 8.3.1 blijkt dat maatregelen gericht op afvalpreventie mogelijk zijn, de vergunninghouder binnen zes maanden nadat de rapportage is opgesteld, een plan van aanpak ter beoordeling aan het bevoegd gezag dient te overleggen.

In voorschrift 8.3.3 is bepaald dat de vergunninghouder de maatregelen welke op grond van het in voorschrift 8.3.2 opgestelde plan van aanpak zijn aangegeven dient uit te voeren binnen een door het bevoegd gezag aan te geven termijn.

3.5.1. Voorschrift 8.3.1 verplicht slechts tot het verrichten van een beperkt afvalpreventieonderzoek. Daarnaast gelden de in de voorschriften 8.3.2 en 8.3.3 opgenomen verplichtingen pas geruime tijd na inwerkingtreding van het bestreden besluit. Voorts stelt [verzoekster sub 2] in haar beroepschrift dat reststoffen op een verantwoorde wijze worden afgevoerd. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening voor zover het de voorschriften 8.3.1, 8.3.2 en 8.3.3 betreft.

4. De verzoeken van [verzoeker sub 1] en anderen en [verzoekster sub 2] om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Schoppers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2013

578.