Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7783

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201204332/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen een door [appellant] aan de [locatie] te Lewedorp geëxploiteerde inrichting afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/435
BR 2013/95
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6293

Uitspraak

201204332/1/A4.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, (hierna: [appellant]), gevestigd te Lewedorp, gemeente Borsele,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 5 april 2012 in zaak nrs. 12/865 en 12/866 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Borsele.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om handhavend op te treden tegen een door [appellant] aan de [locatie] te Lewedorp geëxploiteerde inrichting afgewezen.

Bij zijn besluit van 16 januari 2012 op het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar, heeft het college de afwijzing van het verzoek gehandhaafd.

Bij uitspraak van 5 april 2012 heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 januari 2012 vernietigd en zelf in de zaak voorzien. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2013, waar [appellant], [appellante A] en [appellant C], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door M.L.A. van der Ven en R.A.M. Loos, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [wederpartij], vergezeld van ing. M.G.M. van Schaik, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Voor de inrichting is bij besluit van 10 oktober 2006 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend. [wederpartij] heeft bij brief van 10 juni 2011 verzocht om handhaving van die vergunning, vanwege overlast van met name activiteiten met voertuigen in de avond- en nachtperiode. Het college heeft dit verzoek afgewezen en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

2. De voorzieningenrechter heeft het besluit op bezwaar vernietigd omdat naar zijn oordeel de milieuvergunning is overtreden en er geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan van handhavend optreden kon worden afgezien. Hij heeft vervolgens zelf voorziend een last onder dwangsom opgelegd.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat bij het besluit van 16 januari 2012 had moeten worden besloten tot toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen. Daartoe stelt hij, zo begrijpt de Afdeling het hogerberoepschrift, dat geen overtreding was begaan omdat de vergunning transportbewegingen in de avond- en nachtperiode toestaat. Bovendien is volgens [appellant] overschrijding van de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden niet aan de orde, omdat deze geluidgrenswaarden slechts zien op uitbreiding van de vergunde activiteiten. Verder is de voorzieningenrechter er volgens [appellant] ten onrechte aan voorbijgegaan dat concreet zicht op legalisatie bestaat.

3.1. Ingevolge voorschrift G2 mag het maximale geluidniveau "veroorzaakt door de geluidsbronnen van de uitbreiding of wijziging van de inrichting", ter plaatse van de gevels van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden en andere geluidsgevoelige bestemming niet meer bedragen dan 75, 70 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

3.2. De vergunning van 10 oktober 2006 heeft betrekking op de gehele inrichting. Zoals het college ook ter zitting heeft betoogd, betreft de zinsnede "van de uitbreiding of wijziging" een duidelijke verschrijving. Voorschrift G2 is het enige aan deze vergunning verbonden voorschrift met grenswaarden voor het maximale geluidniveau. Naar het oordeel van de Afdeling is onmiskenbaar dat de geluidvoorschriften zien op het geheel van de activiteiten na de uitbreiding of wijziging van de inrichting. Ook de aanvraag heeft hierop betrekking gelet op het akoestisch rapport waarin de gevolgen in kaart zijn gebracht van de activiteiten na de uitbreiding of wijziging, waaronder transportbewegingen in de avond- en nachtperiode.

3.3. In een in opdracht van het college uitgevoerd geluidonderzoek van Kraaij Akoestisch Adviesbureau, neergelegd in rapport IL.1010.R01 van 20 september 2010, is geconcludeerd dat de grenswaarden voor het maximale geluidniveau in de nachtperiode worden overschreden wanneer transportbewegingen plaatsvinden. Er is geen reden om niet van de juistheid van dit rapport uit te gaan.

Nu niet in geschil is dat in de nachtperiode transportbewegingen hebben plaatsgevonden, heeft de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat een overtreding van de milieuvergunning heeft plaatsgevonden. Dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, de vergunning op zichzelf transportbewegingen in de nachtperiode toestaat, laat onverlet dat dergelijke transportbewegingen moeten voldoen aan de in de vergunning gestelde geluidgrenswaarden, hetgeen hier niet het geval is.

4. Gezien het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat in strijd met de milieuvergunning is gehandeld, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat bij het nemen van het besluit op bezwaar van 16 januari 2012 geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren op grond waarvan het college van handhavend optreden had kunnen afzien. Voor zover [appellant] wat mogelijke legalisatie betreft heeft gewezen op een vergunning die op 28 februari 2012 is aangevraagd, overweegt de Afdeling dat die omstandigheid zich bij het nemen van het besluit van 16 januari 2012 nog niet voordeed.

5. Gezien het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat bij het besluit van 16 januari 2012 ten onrechte van het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen is afgezien.

6. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door een last onder dwangsom op te leggen. Daarmee heeft hij de bestuurlijke afwegingsruimte bij de beslissing over toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen miskend, aldus [appellant].

6.1. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 mei 2005 in zaak nr. 200407773/1 overweegt de Afdeling dat de bestuursrechter als regel niet op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht behoort over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. Uitgangspunt is dat de uitoefening van deze bevoegdheid bij het bestuursorgaan berust. Hoewel in beginsel van de bevoegdheid handhavend op te treden gebruik dient te worden gemaakt, zullen niettemin alle relevante belangen die door de te nemen beslissing worden geraakt, moeten worden afgewogen. Deze afweging omvat onder meer de vraag of handhavend zal worden opgetreden door middel van bestuursdwang of door het opleggen van een last onder dwangsom, de omschrijving van de last, de lengte van de begunstigingstermijn, de hoogte van de dwangsom en het bedrag dat maximaal kan worden verbeurd. Deze afweging behoort primair tot de taak van het bestuursorgaan. Er bestaat geen aanleiding om in dit geval op dit uitgangspunt een uitzondering te maken.

7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de voorzieningenrechter, voor zover daarbij zelf in de zaak is voorzien door op het bezwaar te besluiten onder het alsnog opleggen van een last onder dwangsom, dient te worden vernietigd. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

8. Het college dient op na te noemen wijze in de proceskosten van [appellant] en [wederpartij] te worden veroordeeld. De in dit verband door [wederpartij] gevraagde kostenvergoeding voor een meegebrachte deskundige, komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds omdat in strijd met artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet uiterlijk een week voor de dag van de zitting mededeling is gedaan van het meebrengen van een deskundige.

9. Ten aanzien van het in deze procedure geheven griffierecht overweegt de Afdeling ter informatie als volgt. Voor de behandeling van het hoger beroep is een bedrag van € 310,00 als griffierecht geheven, terwijl het verschuldigde griffierecht € 232,00 bedroeg. Het voor het hoger beroep te veel betaalde griffierecht zal worden teruggestort.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 5 april 2012 in zaak nrs. 12/865 en 12/866, voor zover daarbij zelf in de zaak is voorzien door op het bezwaar te besluiten onder het alsnog opleggen van een last onder dwangsom;

III. bevestigt de uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Borsele tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,68 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Borsele tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,68 (zegge: tweeënveertig euro en achtenzestig cent);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Borsele aan [appellant] en anderen, handelend onder de naam [appellant] het door hen verschuldigde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

262-778.