Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7782

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201201583/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 december 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een seizoenontheffing voor het afmeren van een terrasboot ter hoogte van het pand aan de [locatie 1] te Delft voor de kalenderjaren 2011-2013 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/214 met annotatie van A. Drahmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201583/1/A3.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Delft,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 december 2011 in zaak nr. 11/7401 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2010 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een seizoenontheffing voor het afmeren van een terrasboot ter hoogte van het pand aan de [locatie 1] te Delft voor de kalenderjaren 2011-2013 afgewezen.

Bij besluit van 13 juli 2011 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Pronk, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Angenent, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Verordening openbaar gemeentewater Delft 1996 (hierna: Vogd) wordt, in aanvulling op de in de Scheepvaartverkeerswet en het Binnenvaartpolitiereglement gegeven definities, in deze verordening verstaan onder

(…)

b. ligplaatsenkaart: de bij deze verordening behorende tekening met nummer R-00-32-01, waarop de diverse categorieën en/of aantallen afmeerplaatsen zijn aangegeven;

c. grachtvak: een gedeelte van een gracht, dat aan de kopeinden wordt begrensd door een brug c.q. een weg;

(…)

h. terrasboot: dekschuit (of ander vaartuig) gebruikt als onoverdekt terras, te weten een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf, waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar - al dan niet tegen een vergoeding - dranken worden geschonken en maaltijden voor directe consumptie worden bereid en/of worden verstrekt;

(…)

j. dienende pand: pand, ten behoeve waarvan een ontheffing voor een dekschuit wordt aangevraagd/afgegeven;

k. seizoenontheffing: ontheffing voor het afmeren van een terrasboot met een geldigheidsduur van enige maanden;

(…).

Ingevolge artikel 6, eerste lid, is het verboden een vaartuig in openbaar gemeentewater af te meren, dan wel te laten liggen.

Ingevolge het tweede lid kan het college daarvan ontheffing verlenen.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder a, wordt een seizoenontheffing voor een terrasboot alleen verleend voor de periode die tussen 1 april en 1 oktober ligt.

Ingevolge die aanhef en onder b wordt een seizoenontheffing voor een terrasboot alleen verleend voor locaties, als aangegeven op de ligplaatsenkaart bestemd voor "seizoenontheffingen terrasboten".

Ingevolge artikel 25, eerste lid, wordt een ontheffing krachtens deze verordening geweigerd, indien:

(…)

b. het een aanvraag betreft die buiten de op de ligplaatsenkaart aangegeven categorieën en gebieden valt;

c. ter plaatse van de op de ligplaatsenkaart aangegeven afmeerplaatsen voor het vaartuig dat de aanvraag betreft geen plaats is;

d. ter plaatse het maximum toegelaten aantal vaartuigen of exploitatiepunten, als aangegeven op de ligplaatsenkaart, dan wel in het bestemmingsplan, wordt overschreden;

(…).

Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder f, kan de ontheffing door het college worden ingetrokken of gewijzigd, indien er geen gebruik van wordt gemaakt.

Ingevolge artikel 28 is het college bevoegd nadere regels te stellen betreffende hetgeen in deze verordening is bepaald.

In de Nota Terrasbotenbeleid 2004 (hierna: de Nota) en de daarbij behorende bijlagen is het ter uitvoering van deze regels gevoerde beleid gepubliceerd.

2. Het college heeft aan het besluit van 13 juli 2011 ten grondslag gelegd dat artikel 25, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van de Vogd zich tegen het verlenen van de ontheffing verzet. Bij de wijziging van het terrasbotenbeleid in 2004 is gekozen voor vaste ligplaatslocaties per grachtvak, gekoppeld aan panden met een horecabestemming.

Op de ligplaatsenkaart, behorend bij de Vogd, zijn in het grachtvak, waaraan de horecainrichting van [appellant] grenst, twee locaties, bestemd voor een seizoenontheffing, aangewezen, te weten ter hoogte van de [locatie 2] en 133. Naast de eerder ten behoeve van de inrichting aan de Oude Delft 133 verleende seizoenontheffing voor de kalenderjaren 2011-2013 is inmiddels bij besluit van 7 juli 2011 ook aan de nieuwe exploitant van het pand aan de [locatie 2] seizoenontheffing voor deze kalenderjaren verleend. Het is daarom niet mogelijk [appellant] de gevraagde ontheffing te verlenen, aldus het besluit.

3. De rechtbank heeft niet in geschil geacht dat in het desbetreffende grachtvak twee terrasboten liggen en overwogen dat [appellant] tegen het besluit van 7 juli 2011 geen rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat het in rechte vaststaat. Het college heeft ter zitting toegelicht dat er door de pandkoppeling vaste locaties voor terrasboten zijn en deze koppeling volgens het gevoerde beleid niet wordt doorbroken, bijvoorbeeld in geval van faillissement van een horecaonderneming. Zolang het betrokken pand een horecabestemming heeft, blijft de ligplaatslocatie aan het pand gekoppeld. Dit is slechts anders, indien niet opnieuw een horecaonderneming in het pand wordt geëxploiteerd. Het college streeft hiermee naar continuïteit in de verleende ontheffingen. Het heeft zich onder deze omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat de locatie, waarop de aanvraag ziet, buiten de op de ligplaatsenkaart aangegeven categorieën en gebieden valt, er op de bij die kaart aangewezen locaties geen plaats is voor de terrasboot, waarop deze aanvraag ziet en het maximum toegelaten aantal vaartuigen in het desbetreffende grachtvak is bereikt, gelet op de reeds verleende seizoenontheffingen, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door aldus slechts de mogelijkheid een derde terrasboot in het grachtvak af te meren te onderzoeken, heeft miskend dat ten tijde van het besluit op zijn aanvraag het maximum aantal te verlenen seizoenontheffingen nog niet was bereikt, aangezien de ontheffingen voor de kalenderjaren 2008-2010 afliepen en nog geen ontheffing ten behoeve van een horecaonderneming in het pand aan de [locatie 2] voor de periode 2011-2013 was verleend. Dat ten tijde van het besluit van 13 juli 2011 wel voor de twee op de ligplaatsenkaart aangewezen locaties in het grachtvak een seizoenontheffing voor de kalenderjaren 2011-2013 was verleend, betekent niet dat de rechtbank toch terecht alleen voormelde mogelijkheid heeft onderzocht. Zowel tegen het besluit van 8 april 2011, waarbij deze ontheffing ten behoeve van een nieuw horecabedrijf in het pand [locatie 2] is verleend, als dat van 7 juli 2011, waarbij aan de hierop volgende horecaondernemer in dat pand deze ontheffing is verleend en waarmee de ontheffing van 8 april 2011 van rechtswege is vervallen, heeft hij rechtsmiddelen aangewend, zodat die besluiten niet in rechte onaantastbaar zijn. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2005 in zaak nr. 200409368/1 dat een ontheffing dient te worden ingetrokken, indien deze ten onrechte is verleend en het college de aanvragen om de seizoenontheffing niet los van elkaar mocht beoordelen, omdat de ontheffing een schaarse vergunning betreft. Uit de Vogd, de ligplaatsenkaart en de Nota blijkt dat weliswaar de locaties voor het afmeren van een terrasboot zijn aangewezen en er een koppeling moet zijn tussen die locaties en hun directe omgeving, waar een horecabestemming moet gelden, maar niet het door het college gestelde vereiste van een koppeling tussen de ligplaatslocaties en specifieke panden met een horecabestemming. Gelet hierop en op het feit dat hij als eerste een aanvraag om de seizoenontheffing heeft ingediend, heeft het college deze ten onrechte afgewezen. De ontheffing van 7 juli 2011 moest worden ingetrokken, aldus [appellant].

4.1. Volgens de Nota is door het aanwijzen van vaste terrasbootlocaties niet meer nodig om ligplaatsen onder ondernemers te verloten en verkrijgen oude en nieuwe ondernemers duidelijkheid over het al of niet in aanmerking kunnen komen voor verlening van een terrasbootontheffing. Het terrasbotenbeleid wordt volgens de Nota op dit punt identiek aan het bij vaste locaties voor terrassen toegepaste beleid. In bijlage 1 bij de Nota is vermeld dat het systeem van vaste terrasbootlocaties onder meer tot gevolg heeft dat een nieuwe eigenaar van een onderneming, gevestigd in een pand met de daaraan gekoppelde mogelijkheid een terrasboot te exploiteren, er redelijk zeker van zal zijn dat een seizoenontheffing voor een terrasboot wordt verleend, als hij aan de gestelde eisen voldoet. De locatie is immers gekoppeld aan het desbetreffende pand, zodat andere ondernemers niet voor ontheffingverlening in aanmerking kunnen komen. De ontheffing zal een wezenlijk onderdeel van de economische waarde van de onderneming gaan uitmaken, aldus deze bijlage.

Gelet hierop, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat volgens het sinds 2004 gevoerde beleid de op de ligplaatsenkaart aangewezen locaties voor terrasboten aan specifieke panden met een horecabestemming zijn gekoppeld en de pandkoppeling tot gevolg heeft dat horecaondernemers in deze panden met voorrang aanspraak op verlening van een seizoenontheffing hebben. In de stelling van [appellant] dat medio 2009 de onderneming die het pand aan de [locatie 2] exploiteerde failliet is gegaan en sindsdien geen gebruik is gemaakt van de ten behoeve van die onderneming voor de kalenderjaren 2008-2010 verleende seizoenontheffing, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de pandkoppeling is doorbroken. Volgens het gevoerde beleid vervalt als gevolg van een faillissement de pandkoppeling niet. Voorts heeft het college de ontheffing niet krachtens artikel 26, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vogd ingetrokken. Daargelaten de vraag of in de periode dat deze geldig was, te weten tot 1 oktober 2010, daarvoor aanleiding bestond, was die aanleiding er ten tijde van het besluit van 28 december 2010 niet, nu op het moment van [appellant]’s aanvraag de ontheffing niet meer geldig was. Het college heeft uiteengezet dat ten tijde van dat besluit bekend was dat een nieuwe horecaondernemer het pand aan de [locatie 2] zou exploiteren en die een terrasboot wenste te benutten.

Op 23 december 2010 heeft het college van deze ondernemer een aanvraag om verlening van een seizoenontheffing ontvangen. De rechtbank heeft in [appellant]’s stelling dat deze ondernemer ten tijde van die aanvraag geen eigenaar van het dienende pand was, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de ten behoeve van de nieuwe exploitant van het pand aan de [locatie 2] gevraagde ontheffing niet kon of mocht verlenen. In de Vogd, noch volgens het gevoerde terrasbotenbeleid wordt eigendom als vereiste voor het kunnen verlenen van ontheffing gesteld. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het besluit op [appellant]’s aanvraag duidelijk was dat de seizoenontheffing voor de kalenderjaren 2011-2013 ten behoeve van de nieuwe horecaonderneming in het pand [locatie 2] zou worden verleend. Gelet hierop, heeft de rechtbank in de omstandigheid dat niet gelijktijdig op de aanvragen om deze ontheffing is beslist terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college [appellant]’s aanvraag niet mocht afwijzen, als het heeft gedaan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Neuwahl

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

280-598.