Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7768

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205466/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indien een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen niet in strijd is met het bestemmingsplan, geldt ingevolge art. 3.9, eerste lid, van de Wabo een beslistermijn van 8 weken. Nu het college deze beslistermijn niet overeenkomstige het tweede lid van art. 3.9 heeft verlengd, heeft het door eerst op 6 december 2011 een besluit te nemen op de aanvraag van 6 juni 2011 niet tijdig besloten. Gelet op het bepaalde in art. 3.9, derde lid, van de Wabo gelezen in verbinding met art. 4:20b, eerste lid, van de Awb is de aangevraagde omgevingsvergunning aldus van rechtswege verleend.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 3.9
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:20b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/500
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205466/1/A1.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Bunschoten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 april 2012 in zaken nrs. 11/3066 en 12/19 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 heeft het college de door [appellant] gevraagde omgevingsvergunning voor het verbouwen en omvormen van de bestaande bedrijfswoningen tot één bedrijfswoning en het realiseren van een nieuwe tweede bedrijfswoning elders op het perceel geweigerd.

Bij uitspraak van 20 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2013, waar [appellant A], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ing. H.H. Navis, en het college, vertegenwoordigd door C.J. van der Krans-Oskamp en J.E.P.M. Reijen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" met de nadere aanduiding "Twee bedrijfswoningen toegestaan".

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het tweede lid, onder b, mag binnen elk bouwperceel op de gronden als bedoeld in het eerste lid uitsluitend één bedrijfswoning en daarbij behorende bijgebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat binnen een bouwperceel met de op de plankaart de aanduiding "Zonder bedrijfswoning", geen bedrijfswoning is toegestaan en als de aanduiding "Twee bedrijfswoningen toegestaan" is vermeld, ten hoogste twee bedrijfswoningen zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 1, onder 9, wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening is dat gebouw of op dat terrein.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning heeft geweigerd voor het verbouwen en omvormen van de bestaande bedrijfswoningen tot één bedrijfswoning en het realiseren van een nieuwe tweede bedrijfswoning op het perceel. Hiertoe voert hij aan dat de aanvraag om omgevingsvergunning niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de tweede bedrijfswoning functioneel gebonden is aan het bedrijf. In dat verband voert hij aan dat het niet gaat om een wijziging van het gebruik van de bedrijfswoning, maar om het verplaatsen van een bestaande bedrijfswoning.

Tevens betoogt [appellant] dat het college niet tijdig de beslistermijn heeft verlengd, waardoor de vergunning van rechtswege is verleend.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juli 2005 in zaak nr. 200409527/1), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

2.2. Gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften en de toegekende aanduiding zijn op het perceel zonder meer twee bedrijfswoningen toegestaan. De bijbehorende bouwvoorschriften bevatten geen bepalingen over de situering van deze woningen behalve dat deze uitsluitend binnen het bouwperceel mogen worden gebouwd. Beide woningen zijn binnen het bouwperceel voorzien. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan kan, anders dan waarvan het college uitgaat, niet worden betrokken dat het bouwplan ziet op het realiseren van twee vrijstaande woningen.

De vraag die overblijft is of de tweede woning functioneel gebonden is aan het ter plaatse gevestigde bedrijf en daarmee een bedrijfswoning is.

De tweede woning is bedoeld voor de zoon van [appellant A] en zijn gezin. Hoewel [zoon] een fulltime baan elders heeft, werkt hij gemiddeld vier uur per dag op het agrarische bedrijf. Ook besteed hij een deel van zijn vakantie aan het werken op het agrarisch bedrijf. Het college betwist het voorgaande niet. Evenmin is in geschil dat de fysieke gezondheid van [appellant A] beperkt is, waardoor hij niet in staat is zwaardere werkzaamheden te verrichten. Deze werkzaamheden worden door [zoon] verricht. Onder deze omstandigheden heeft het college geen doorslaggevende betekenis kunnen toekennen aan de omstandigheid dat het agrarische bedrijf de omvang van een éénmansbedrijf heeft.

De woning zal worden bewoond door iemand die een substantieel deel van de werkzaamheden verbonden aan het daar gevestigde bedrijf verricht. Daarmee zal de woning behoren bij en functioneel gebonden zijn aan het bedrijf. De tweede woning als voorzien in het bouwplan is derhalve niet in strijd met het bestemmingsplan.

Indien een aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen niet in strijd is met het bestemmingsplan, geldt ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo een beslistermijn van 8 weken. Nu het college deze beslistermijn niet overeenkomstige het tweede lid van artikel 3.9 heeft verlengd, heeft het door eerst op 6 december 2011 een besluit te nemen op de aanvraag van 6 juni 2011 niet tijdig besloten. Gelet op het bepaalde in artikel 3.9, derde lid, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4:20b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de aangevraagde omgevingsvergunning aldus van rechtswege verleend.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het besluit van 6 december 2011 dient te worden vernietigd.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 april 2012 in zaken nrs. 11/3066 en 12/19;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten van 6 december 2011, kenmerk 7640;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

270-736.