Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205818/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,00 per week met een maximum van € 12.000,00 gelast om binnen twaalf weken na verzending van het besluit de auto’s te verwijderen en verwijderd te houden en de handel van auto’s te beëindigen en beëindigd te houden op het perceel kadastraal bekend gemeente Mook en Middelaar, sectie A, nummer 6140, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201205818/1/A1.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 2 mei 2012 in zaken nrs. 12/403 en 12/404 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2011 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,00 per week met een maximum van € 12.000,00 gelast om binnen twaalf weken na verzending van het besluit de auto’s te verwijderen en verwijderd te houden en de handel van auto’s te beëindigen en beëindigd te houden op het perceel kadastraal bekend gemeente Mook en Middelaar, sectie A, nummer 6140, plaatselijk bekend als [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 januari 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2012 (lees: 29 januari 2012) vernietigd en het besluit van 20 september 2011 geschorst tot de datum waarop het college het nieuw te nemen besluit op bezwaar bekend maakt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. de Graaf, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij] vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.C. Sluimer, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het perceel ligt op het bedrijventerrein Korendal.

Ingevolge het bestemmingsplan "Molenhoek" rust op het perceel de bestemming "Bedrijven B (3-4)".

Ingevolge artikel 2.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is de als zodanig aangewezen grond bestemd voor de uitoefening van bedrijven, welke voorkomen in de categorieën 3 en 4, zoals deze zijn aangegeven in de tot deze voorschriften behorende Bedrijvenstaat met uitzondering van detailhandel.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor de uitoefening van detailhandel, mits het betreft handel in goederen waarvan de verkoop in woonwijken ongewenst is, zoals brandgevaarlijke, explosieve en milieuverstorende.

2. [wederpartij] is een bedrijf dat ter plaatse handelt in auto’s, waarbij tweedehands auto’s aan particulieren worden verkocht. Vast staat en niet langer in geschil is dat dat gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden.

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat daartegen handhavend kan optreden in de regel van die bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat het ontoereikend heeft gemotiveerd dat geen mogelijkheid bestaat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel te legaliseren, de reikwijdte van artikel 2.15, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften te ver heeft opgerekt.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 mei 2012 in zaak nr. 201109901/1/A1), volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Een besluit tot weigering gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing terzake zeer terughoudend is.

4.2. Het college is niet bereid krachtens artikel 2.15, vierde lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften een omgevingsvergunning te verlenen voor het strijdige gebruik van het perceel. Het college stelt zich op het standpunt dat de in die bepaling opgenomen voorbeelden, waarin vrijstelling kan worden verleend, weliswaar niet limitatief zijn, maar dat daaraan wel degelijk betekenis toekomt in de zin, dat alleen in daarmee vergelijkbare gevallen vrijstelling krachtens dit voorschrift kan worden verleend. Een andere opvatting zou volgens het college betekenen dat aan bijvoorbeeld een grote supermarkt, bouwketen of kledingzaak ook medewerking zou moeten worden verleend. Een zwaarwegende reden waarom vrijstelling in dit geval ongewenst is, is volgens het college dat de fysieke ruimte voor bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4 in de gemeente Mook en Middelaar beperkt is. Er is op het bedrijventerrein thans weliswaar voldoende ruimte voor dergelijke bedrijven beschikbaar, maar niet kan worden voorspeld hoe het bedrijventerrein zich zal ontwikkelen.

4.3. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste bestuurlijke medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Onder deze omstandigheden is concreet zicht op legalisering niet aan de orde. De voorzieningenrechter heeft dat niet onderkend door te overwegen, dat het college ontoereikend heeft gemotiveerd dat geen mogelijkheid tot legalisering bestaat.

Dat het perceel in het door het college op 7 december 2012 vastgestelde voorontwerp bestemmingsplan "Mook en Molenhoek" de bestemming "Bedrijventerrein" heeft met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2", kan [wederpartij] niet baten, reeds omdat ten tijde van het besluit van 29 januari 2012 nog geen ontwerp van dat bestemmingsplan ter inzage was gelegd, hetgeen tenminste is vereist om zicht op legalisering aan te nemen.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 januari 2012 beoordelen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze nog bespreking behoeven.

6. [wederpartij] heeft in beroep betoogd dat handhavend optreden jegens hem in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het college ten aanzien van opslag van auto’s aan de Rijksweg en aan de Lindenlaan niet handhavend optreedt. Voorts heeft zij aangevoerd dat het college op het aan zijn perceel grenzende perceel van [persoon] wel detailhandel heeft toegestaan.

6.1. Hierin worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat handhavend optreden tegen [wederpartij] in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Niet is gebleken van gevallen gelijk aan of vergelijkbaar met dat van [wederpartij] , waarin het college heeft afgezien van handhavend optreden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college ten aanzien van de opslag aan de Rijksweg onweersproken heeft gesteld dat die in overeenstemming is met het aldaar ingevolge het bestemmingsplan toegestane gebruik. Voorts is opslag van auto’s niet zonder meer vergelijkbaar met autohandel en vindt die opslag, anders dan de autohandel van [wederpartij] , niet plaats op het bedrijventerrein Korendal. Verder wordt in aanmerking genomen dat het college heeft toegelicht dat het desbetreffende bedrijf inmiddels is beëindigd, zodat daarnaar geen onderzoek meer kan en behoeft te worden verricht.

Het betoog faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 mei 2012 in zaken nrs. 12/403 en 12/404;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

357-757.