Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207594/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het college het inrichtingsplan "Sarsven en de Banen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207594/1/R2.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Nederweert-Eind, gemeente Nederweert, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Nederweert-Eind, gemeente Nederweert,

2. [appellant sub 2], wonend te Nederweert-Eind, gemeente Nederweert,

3. [appellante sub 3], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft het college het inrichtingsplan "Sarsven en de Banen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 3] heeft een nader stuk ingegediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2013, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [maat C], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.A. Wols, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.A. Wols, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.T.L. Thijssen en E. Weusten, beiden werkzaam bij de provincie, alsmede ing. M.I. Burger en ing. T.F.G. Heijligers, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (hierna: Wilg), kunnen gedeputeerde staten, de gebiedscommissie gehoord, besluiten tot toepassing van landinrichting door vaststelling van een inrichtingsplan.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, voor zover hier van belang, bevat een inrichtingsplan in ieder geval:

a. de begrenzing van het in te richten gebied;

b. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de te treffen maatregelen en voorzieningen;

e. een of meer kaarten die met inachtneming van het derde lid zijn vervaardigd.

Ingevolge artikel 17, derde lid, voor zover hier van belang, worden op de kaarten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, zo nauwkeurig mogelijk aangegeven:

a. de begrenzing van het in te richten gebied;

b. in voorkomend geval de begrenzing van ieder blok, indien een van de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde maatregelen of voorzieningen herverkaveling betreft;

c. in voorkomend geval de te ontwikkelen natuur- en bosgebieden, landschappelijke elementen, waaronder cultuurhistorische, aardkundige en natuurwetenschappelijke elementen, en recreatieve voorzieningen;

d. in voorkomend geval de te verbeteren en nieuw aan te leggen openbare wegen, waterlopen, dijken of kaden met de daarbij behorende kunstwerken;

f. in voorkomend geval de maatregelen of voorzieningen voor de verwezenlijking waarvan artikel 56, eerste lid, kan worden toegepast.

2. Ingevolge artikel 19 van de Wilg, kan een belanghebbende tegen een besluit tot vaststelling van een inrichtingsplan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover het betreft

a. de begrenzing van de blokken, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b;

b. de aanduiding van voorzieningen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, inhoudende de toepassing van een korting als bedoeld in artikel 56, eerste lid;

c. de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut, bedoeld in artikel 28;

d. de aanduiding van wegen met de daartoe behorende kunstwerken, bedoeld in artikel 33, eerste lid, en de opname van wegen met de daartoe behorende kunstwerken als openbare weg, bedoeld in artikel 33, tweede lid.

3. Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Wilg kan, in afwijking van de artikelen 8 en 9 van de Wegenwet, in het inrichtingsplan de aanduiding worden opgenomen van wegen met de daartoe behorende kunstwerken die voorheen voor het openbaar verkeer waren opengesteld en die door het enkele feit van deze aanduiding aan het openbaar verkeer worden onttrokken.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Wilg is, in afwijking van de artikelen 4 en 5 van de Wegenwet, aan wegen met de daartoe behorende kunstwerken die in het inrichtingsplan als openbare weg zijn opgenomen maar die voorheen niet voor het openbaar verkeer waren opengesteld, door het enkele feit van opneming de bestemming van openbare weg gegeven.

Het plan

4. Het inrichtingsplan heeft betrekking op het landelijk gebied gelegen in de gemeenten Nederweert en Leudal. Met het inrichtingsplan wordt beoogd een gebiedsdekkend uitgewerkt plan voor de inrichting van het watersysteem op te stellen, waarbij een Nieuw Limburgs Peil wordt gerealiseerd met het oog op de wensen vanuit natuur, landbouw en andere functies.

Het beroep van [appellante sub 1]

5. Het beroep van [appellante sub 1], gevestigd aan [locatie 1] te Nederweert-Eind, richt zich tegen het toepassen van een korting ten behoeve van het nabij de Braakpeel voorziene nieuwe wandelpad. Onduidelijk is of dit wandelpad langs of over haar perceel komt te lopen. Het vastgestelde plan biedt hierover geen duidelijkheid, terwijl het realiseren van een wandelpad schade aan haar percelen tot gevolg kan hebben. Ter zitting heeft [appellante sub 1] in dit verband gesteld dat daar honden uitgelaten kunnen worden die besmet zijn met ziekten die overgedragen kunnen worden op haar veestapel.

5.1. Het college stelt dat de gronden ten behoeve van de aanleg van het wandelpad nabij de Braakpeel geen onderdelen betreffen als bedoeld in artikel 19 van de Wilg. Het college voert aan dat de desbetreffende gronden, die in eigendom zijn van het waterschap, niet door middel van een korting, maar via het ruilplan zullen worden verworven.

5.2. Gelet op plankaart 3 bij het inrichtingsplan is ten zuidwesten van de huiskavel van [appellante sub 1] een nieuw wandelpad als maatregel opgenomen. Uit het inrichtingsplan volgt dat het mogelijk wordt vanuit [minicamping] via het onderhoudspad van de Braakpeel naar de Banen te lopen. In paragraaf 6.4.1 van het inrichtingsplan staat dat de recreatieve paden overal samenvallen met de eigendom van een gemeente of een natuurbeschermingsorganisatie. Hiervoor is geen grondaankoop vereist. In zoverre kan [appellante sub 1] niet worden gevolgd in haar standpunt dat voor het wandelpad een korting zal worden toegepast. Voorts staat in paragraaf 6.2.1 van het inrichtingsplan dat de status van de wegen in het plan niet verandert, tenzij dit in het plan en op de plankaart is aangegeven. Ten aanzien van de openbaarheid van het wandelpad, zoals bedoeld in onderdeel d van artikel 19 van de Wilg, is in het plan niets aangegeven.

Dit onderdeel van het inrichtingsplan is gelet op het vorenstaande niet te scharen onder een van de in artikel 19 van de Wilg genoemde onderdelen. Derhalve is de Afdeling onbevoegd kennis te nemen van het beroep van [appellante sub 1].

Het beroep van [appellant sub 2]

6. Het beroep van [appellant sub 2], wonend aan [locatie 2] te Nederweert-Eind, richt zich ertegen dat in het inrichtingsplan ten onrechte niet is voorzien in een nieuw wandelpad tussen de Kwegt en het Eind, langs zijn agrarisch bedrijf. Volgens [appellant sub 2] is dit wandelpad van belang omdat hij als neventak een ijsboerderij exploiteert en zijn bedrijf goed dient te worden ontsloten door middel van wandelpaden en fietsroutes. In het ontwerpplan was dit nieuwe wandelpad wel opgenomen, maar dit is geschrapt bij de vaststelling van het inrichtingsplan. Ter zitting heeft [appellant sub 2] verklaard dat zijn beroepsgrond aldus moet worden geduid dat het bedoelde wandelpad onder onderdeel d van artikel 19 van de Wilg dient te worden geschaard.

6.1. Het college stelt dat het bedoelde wandelpad geen onderdeel betreft als bedoeld in artikel 19 van de Wilg.

6.2. De Afdeling stelt vast dat op plankaart 3 bij het ontwerp van het inrichtingsplan ter plaatse van de door [appellant sub 2] bedoelde gronden een nieuw wandelpad was opgenomen, terwijl dit pad ontbreekt op plankaart 3 van het uiteindelijk vastgestelde plan. Naar het oordeel van de Afdeling staat in beginsel ook tegen het niet opnemen van een maatregel of voorziening in een inrichtingsplan beroep open bij de Afdeling, mits het gaat om een onderdeel als bedoeld in artikel 19 van de Wilg.

6.3. In dit geval zou het gewenste wandelpad echter niet kunnen worden geduid als weg met de daartoe behorende kunstwerken als bedoeld in artikel 33, eerste lid dan wel tweede lid, van de Wilg. Dit artikel regelt de onttrekking aan de openbaarheid van wegen die voorheen voor het openbaar verkeer waren opengesteld respectievelijk het openbaar maken van wegen die voorheen niet voor het openbaar verkeer waren opengesteld. Omdat het wandelpad in het geheel niet aanwezig is, kan in dit geval niet worden geoordeeld dat sprake is van weg die voorheen al dan niet aan het openbaar verkeer was opengesteld. Gelet op het vorenstaande valt de door [appellant sub 2] aangevoerde beroepsgrond niet te scharen onder onderdeel d van artikel 19 van de Wilg.

Nu het niet opnemen van het wandelpad voorts niet onder één van de andere onderdelen in artikel 19 van de Wilg is te scharen, moet worden geoordeeld dat de Afdeling onbevoegd is kennis te nemen van het beroep van [appellant sub 2].

Het beroep van [appellante sub 3]

Bevoegdheid

7. [appellante sub 3], gevestigd aan Hollander 11 te Heythuysen, betoogt dat ten onrechte rond natuurgebied De Zoom een kwelscherm als maatregel in het plan is opgenomen. Nu al ervaart zij hinder van kwelwater en zij vreest dat het kwelscherm het water niet effectief binnen De Zoom zal kunnen houden. Ook zal De Zoom - doordat dit gebied natter wordt - vogels aantrekken, welke schade zullen toebrengen aan de gewassen op haar agrarische gronden. Ten aanzien van de veldkavel gelegen ten zuiden van de Vissensteert voert [appellante sub 3] aan dat het waterpeil ter plaatse ten onrechte wordt verhoogd. In dit verband stelt zij dat het gebied minder goed voor de landbouw kan worden gebruikt en wateroverlast zal ontstaan. Voorts vreest [appellante sub 3] voor schade door vernatting van landbouwgebieden die nabij voorziene ecologische gebieden liggen. Voor haar is onduidelijk hoe voornoemde schade zal worden gecompenseerd.

7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het te plaatsen kwelscherm langs De Zoom, de verhoging van het grondwaterpeil ter plaatse van de veldkavel en de schade door vernatting van landbouwgebieden, geen onderdelen betreffen als bedoeld in artikel 19 van de Wilg. Ten aanzien van de eventuele schade heeft het college ter zitting uiteengezet dat deze als gevolg van de in de wet neergelegde keuze van de wetgever niet ter discussie kan staan in de procedure ten aanzien van het inrichtingsplan. Pas in laatste instantie, bij de procedure omtrent de lijst der geldelijke regelingen, kunnen financiële aspecten als schade aan de orde komen, zo stelt het college.

7.2. Uit paragraaf 6.1 van het inrichtingsplan volgt dat de gronden waarop waterlopen, nieuwe natuur en ecologische verbindingszones zijn voorzien, zullen worden toegewezen aan openbare instanties en zullen worden verworven door het toepassen van een korting. Voor zover de gronden niet zijn toegewezen, zullen deze in het ruilplan aan de eigenaren worden toegedeeld. Op plankaart 1 bij het inrichtingsplan is ten noorden van de gronden van [appellante sub 3], welke grenzen aan het natuurgebied De Zoom, de aanduiding "indicatieve locatie kwelscherm" opgenomen. De Afdeling overweegt gelet op de indicatieve betekenis van deze aanduiding dat het te plaatsen kwelscherm langs De Zoom geen onderdeel uitmaakt van de toewijzing van gronden dan wel korting als bedoeld in onderdeel b van artikel 19 van de Wilg. Evenmin is sprake van een van de overige in artikel 19 van de Wilg genoemde onderdelen.

Ten aanzien van het waterpeil overweegt de Afdeling dat op plankaart 5 bij het inrichtingsplan verhoogde waarden zijn aangegeven voor het toekomstige waterpeil voor de nabij de veldkavel van [appellante sub 3] gelegen rekenlocatie in de Vissensteert. Ten aanzien van de gevolgen van de waterhuishouding voor landbouwgebieden staat in het inrichtingsplan onder meer vermeld dat de grondwaterstand in de toekomst permanent op een hoger niveau wordt gehouden en dat sneller sprake zal zijn van wateroverlast. Naar het oordeel van de Afdeling vallen de verhoging van het waterpeil ter plaatse van de veldkavel en de schade door vernatting van landbouwgebieden evenmin onder de in artikel 19 van de Wilg genoemde onderdelen.

Nu het hier niet gaat om appellabele onderdelen van het inrichtingsplan, moet worden geoordeeld dat de Afdeling in zoverre onbevoegd is van het beroep van [appellante sub 3] kennis te nemen.

Het beroep voor het overige

8. [appellante sub 3] heeft eerst ter zitting betoogd dat de begrenzing van het herverkavelingsblok te beperkt is vastgesteld. [appellante sub 3] heeft aldus beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door ter zitting, derhalve na afloop van de haar gegeven termijn voor het aanvullen van de gronden, ook nog voornoemd besluitonderdeel aan te vechten. Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen alsnog met betrekking tot de begrenzing van het herverkavelingsblok naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

9. Het beroep van [appellante sub 3] richt zich voorts tegen de aanwijzing van een deel van haar veldkavel van 5,5 ha langs de beek Vissensteert als natuur. Zij stelt dat de 2,3 ha aan gronden die straks resteert onbereikbaar zal worden. Daarnaast heeft het college geen duidelijkheid verschaft over de vraag of, en op welke wijze, compensatie zal plaatsvinden. Er moet een redelijk perspectief bestaan op vervangende gronden in de nabijheid van haar melkveebedrijf. Voorts heeft [appellante sub 3] zich in het nadere stuk van 8 februari 2013 op het standpunt gesteld dat in het verlengde van de Vissensteert gronden liggen die geschikter zijn om voor natuur te worden aangewezen.

9.1. Het college stelt dat de bedoelde "stepping stone" nodig is om twee natuurgebieden met elkaar te kunnen verbinden, zodat de uitwisseling van diersoorten kan worden bevorderd. Volgens het college kan [appellante sub 3] via het ruilplan in de directe omgeving van het bedrijf in grond worden gecompenseerd. Daartoe bestaan reële mogelijkheden omdat via het Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna: BBL) voldoende grond beschikbaar is. Het college stelt voorts dat eventuele schade aan de orde kan worden gesteld in het kader van de lijst der geldelijke regelingen.

9.2. Gelet op plankaart 2 bij het inrichtingsplan is een deel van de gronden van [appellante sub 3] ten zuiden van de beek Vissensteert aangeduid als "ecologische verbindingszone nog te verwerven en toe te wijzen aan gem. Nederweert (3 ha.)". In paragraaf 6.1.1. van het inrichtingsplan staat dat in het plan opgenomen maatregelen als ecologische verbindingszones van dusdanig groot maatschappelijk belang zijn, dat de desbetreffende gronden worden toegewezen aan openbare instanties en dat hiervoor de korting moet worden toegepast. Uit paragraaf 3.2.1. van het inrichtingsplan kan in dit verband worden afgeleid dat de verbindingszone noodzakelijk is om de natuurgebieden Vlakwater/Leveroyse Dijk en De Zoom beter met elkaar te kunnen verbinden. Zoals in het inrichtingsplan staat, wordt hierdoor de uitwisseling van soorten die nu geïsoleerd zijn - waaronder de vlindersoorten spiegeldikkopje en bont dikkopje - bevorderd en het leefgebied daarvan flink uitgebreid.

9.3. De Afdeling acht het standpunt van het college om een ecologische verbindingszone aan te leggen de uitwisseling van soorten te bevorderen en het leefgebied te vergroten, niet onredelijk. Daarbij heeft het college voor de locatie van [appellante sub 3] langs de Vissensteert kunnen kiezen, omdat de relatief lage ligging gunstig is om de voor de soorten gewenste natte schrale natuurdoeltypen aan te leggen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het perceel van [appellante sub 3] langs de Vissensteert vergeleken met de voorgestelde alternatieve locatie meer geschikt is, omdat deze beter tussen de twee natuurgebieden in ligt en omdat deze door een stuw in de Vissensteert natter is ten opzichte van de alternatieve locatie. Het vorenstaande komt de Afdeling niet onredelijk voor. Ten aanzien van de stelling dat de resterende gronden ten zuiden van de "stepping stone" onbereikbaar zullen worden, heeft het college zich ter zitting op het standpunt gesteld het niet ondenkbaar te achten dat deze gronden in het kader van het plan van toedeling zullen worden uitgeruild, zodat alsdan niet langer voor ontsluiting van de resterende gronden behoeft te worden gezorgd. Dit komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Overigens acht de Afdeling, gelet op de voorwaarde in artikel 55 van de Wilg dat elke kavel zo wordt gevormd dat deze uitweg heeft op een openbare land- of waterweg en zo mogelijk daaraan grenst, niet aannemelijk dat de bedoelde gronden niet bereikbaar zullen zijn voor de opkomende eigenaar.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarom bij de afweging van de betrokken belangen meer gewicht kunnen toekennen aan het algemene belang van het aanleggen van de verbindingszone dan aan het belang van [appellante sub 3] bij behoud van de gehele veldkavel. Het college heeft bij zijn afweging mogen betrekken dat [appellante sub 3] voor het afstaan van de gronden via het ruilplan in grond zal worden gecompenseerd. Daarbij is van belang dat het college ter zitting onder meer door middel van een kaart aannemelijk heeft gemaakt dat binnen het herverkavelingsblok voldoende BBL-gronden beschikbaar zijn. Voor de stelling van [appellante sub 3] dat die BBL-gronden geen reële mogelijkheden bieden voor compensatie in de directe omgeving van het melkveebedrijf, ziet de Afdeling geen aanleiding. In dit verband heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat compensatie binnen het blok dient plaats te vinden. Voorts behoeven niet slechts BBL-gronden als compensatiegrond te dienen, maar kunnen eventueel ook gronden van derden bij wijze van een "driehoeksruil" als compensatiegrond worden ingezet. Overigens kan het bedrijf eventuele geleden schade aan de orde stellen in een procedure inzake de lijst der geldelijke regelingen.

Het betoog van [appellante sub 3] faalt.

9.4. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ten aanzien van aanwijzing van een deel van haar veldkavel van 5,5 ha langs de beek Vissensteert als natuur, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid het inrichtingsplan in zoverre heeft kunnen vaststellen. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 3] is in zoverre ongegrond.

Proceskosten

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen van:

a. maatschap [appellante sub 1], gevestigd te Nederweert-Eind, gemeente Nederweert, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C];

b. [appellant sub 2];

c. [appellante sub 3], voor zover het betreft het te plaatsen kwelscherm langs De Zoom, de schade door vernatting van landbouwgebieden en de verhoging van het waterpeil ter plaatse van de veldkavel;

II. verklaart het beroep van [appellante sub 3] voor het overige, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

612.