Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7726

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201210320/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2010 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het illegaal gebruik van de viskwekerij en visvijvers op het perceel de [locatie] te Sterksel (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210320/1/A1.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 september 2012 in zaken nrs. 12/2458 en 12/2459 in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Sterksel, gemeente Heeze-Leende,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2010 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het illegaal gebruik van de viskwekerij en visvijvers op het perceel de [locatie] te Sterksel (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 20 juli 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering ervan, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 september 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 juli 2012 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft het hoger beroep ter zitting behandeld op 19 februari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A. Snijders, werkzaam bij de gemeente, en [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" rust op het perceel de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)".

Ingevolge artikel 8.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Bedrijf-Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de volgende doeleinden:

a. agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bedrijfsexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b. grondgebonden agrarische bedrijven met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

[…]

- "viskwekerij" op de plankaart tevens een viskwekerij is toegestaan;

[…]

d. productiegebonden detailhandel, waarbij de totale gezamenlijke oppervlakte per agrarisch bedrijf niet meer mag bedragen dan:

- 50 m2 voor zover de agrarische bedrijven liggen binnen op de zoneringskaart aangeduide "bebouwingsconcentratie 1" of "bebouwingsconcentratie 2";

- 25 m2 voor overige agrarische bedrijven;

[…]

i. extensief recreatief medegebruik;

[…]

Ingevolge artikel 1 wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf;

Ingevolge die bepaling wordt onder productiegebonden detailhandel verstaan: beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf dat die goederen vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

Ingevolge die bepaling wordt onder extensief recreatief medegebruik verstaan: een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waarbij het gebruik weinig invloed heeft op de doeleinden binnen de bestemming.

2. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 20 juli 2012 niet deugdelijk is gemotiveerd, nu de last ziet op het gebruiken en niet op het laten gebruiken. Het voert daartoe aan dat in dat besluit is vermeld dat het ook verboden is de gronden te laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

2.1. In het besluit van 7 april 2010 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het illegaal gebruik van de viskwekerij en visvijvers op het perceel. Het college heeft in het besluit van 20 juli 2012 niet betwist dat [appellante], zoals in bezwaar gesteld, als eigenaar van het perceel dat perceel niet zelf gebruikt maar laat gebruiken door Kuba B.V., waaraan het gebruiksrecht van het perceel inclusief het visrecht is verpacht. In laatstgenoemd besluit heeft het college weliswaar de motivering gewijzigd en gesteld dat de eigenaar die zijn perceel in strijd met het bestemmingsplan laat gebruiken als overtreder kan worden aangemerkt, maar het college heeft in dat besluit de last niet in die zin gewijzigd dat [appellante] wordt gelast het laten gebruiken van het perceel voor illegale bedrijfsactiviteiten te beëindigen en beëindigd te houden. De voorzieningenrechter heeft onder deze omstandigheden terecht overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [appellante] gebruiker is van de viskwekerij en de visvijvers op het perceel en kan worden aangemerkt als overtreder van de bij besluit van 7 april 2010 opgelegde, ongewijzigde last.

Het betoog faalt.

3. Het college betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat recreatief gebruik van het perceel de hoofdfunctie is en dat op het perceel niet of nauwelijks agrarische activiteiten plaatsvinden. Het voert daartoe aan dat de vissen op het perceel worden gekweekt voor de hengelsport. Dat de opgevangen vissen worden verkocht aan de vissers maakt volgens het college niet dat het perceel een agrarische hoofdfunctie heeft, nu verkoop aan particulieren detailhandel is. [appellante] heeft volgens het college tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter ook verklaard dat het bedrijf niet levensvatbaar is zonder het recreatief gebruik. Voorts wijst het college op een onderzoek als bijlage bij de aanvraag om een hinderwetvergunning voor het perceel waarin is vermeld dat het kweken van de vissen in een loods gebeurt en de vijvers dienen om de kweekbakken in de loods van water te voorzien.

3.1. Ingevolge artikel 8.1 van de planvoorschriften in samenhang bezien met artikel 1 is het toegestaan het perceel met de bestemming "grondgebonden agrarisch bedrijf" te gebruiken voor een viskwekerij en extensief recreatief medegebruik. Ingevolge de begripsbepaling moet extensief recreatief medegebruik ondergeschikt zijn aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan en waarbij het gebruik weinig invloed heeft op de doeleinden binnen de bestemming. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het exploiteren van visvijvers met als doel particulieren de gelegenheid te bieden ter plaatse tegen vergoeding te vissen niet onder de bestemming "grondgebonden agrarisch bedrijf" valt, tenzij het vissen in de visvijvers is aan te merken als extensief recreatief medegebruik.

De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat het college met de drie controlerapporten, die het aan het besluit van 20 juli 2012 ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vissen op het perceel slechts worden gekweekt om daar in de vijvers te worden opgevist als hoofdactiviteit van het perceel. In de controlerapporten van 16 maart 2010 en 19 mei 2010 is geconstateerd dat wordt gevist in de vijvers respectievelijk dat de kweekruimte in de loods op het perceel niet in gebruik is. Uit het controlerapport van 4 april 2012 volgt dat wel vissen in de kweekruimte aanwezig waren, maar dat geen visactiviteiten zijn waargenomen totdat om 16:00 uur enkele vissers waren aangekomen. Uit de gemeentelijke controlerapporten blijkt, anders dan het college in zijn besluiten heeft gesteld, derhalve niet dat niet of nauwelijks agrarische activiteiten, zijnde het kweken van vis ten behoeve van het produceren van visvlees, plaatsvinden op het perceel en de hengelsport geen ondergeschikte activiteit is.

Voor zover volgens het college uit de aanvraag om een hinderwetvergunning uit 1986 volgt dat het in het verleden niet de bedoeling was om in de vijvers vissen te houden voor de viskwekerij, maakt dat nog niet dat daarna alsnog de vijvers daarvoor worden gebruikt. Ter zitting heeft [appellante] gesteld dat in 2006 een wijziging van de milieuvergunning is verleend waardoor niet alleen in de kweekruimte maar op het gehele perceel vissen mogen worden gekweekt, hetgeen het college niet heeft weersproken. Het bestemmingsplan staat bovendien ook toe in de vijvers zelf een viskwekerij te exploiteren.

Dat de viskwekerij niet op volle capaciteit in bedrijf is en financieel mede afhankelijk is van de inkomsten uit het recreatief gebruik van het perceel, betekent, anders dan het college stelt, niet dat dat recreatief gebruik niet ondergeschikt kan zijn aan de agrarische functie van de bestemming. Daarbij wordt overwogen dat ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder d, van de planvoorschriften productiegebonden detailhandel, waaronder ook het verkopen van door vissers zelf gevangen vissen valt, op beperkte schaal is toegestaan.

Onder deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college het besluit van 20 juli 2012 onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

374-761.