Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7725

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207849/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12-12-2012, 201205158/1/A2, LJN: BY5889), is slechts datgene als monument beschermd, wat als bouwkundige en functionele onlosmakelijke zelfstandige eenheid in de redengevende omschrijving is vermeld. Het tuinhuisje, tot de oprichting waarvan het bouwplan strekt, is een bijbehorend bouwwerk bij de op het perceel aanwezige woning. Die woning maakt onderdeel uit van de boerderij die in de redengevende omschrijving wordt vermeld. Of de voormalige varkensschuur een monument is en die schuur bij het perceel hoort, kan derhalve in het midden blijven, nu de woning een monument is.

Aldus vindt de activiteit, voor het uitvoeren waarvan vergunning is gevraagd, plaats bij een monument en heeft de rb., gelet op het bepaalde in art. 5, derde lid, aanhef en onder a, van de bij het Bor, behorende bijlage II, met juistheid, zij het op andere gronden, overwogen dat voor realisering van het bouwplan omgevingsvergunning vereist is.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207849/1/A1.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te IJsselstein,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 27 juni 2012 in zaak nr. 12/218 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een tuinhuisje op het adres [locatie] te IJsselstein (hierna: het perceel).

Bij besluit van 12 december 2011 heeft het het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en het college, vertegenwoordigd door E.M. Hilkhuijsen, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit het bouwen van een bouwwerk bestaat.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en d, wordt een omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3, gelezen in verbinding met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge het tweede lid is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, gelezen in verbinding met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de bij het Bor behorende bijlage II zijn artikel 2, met uitzondering van de onderdelen 1 en 2, en artikel 3 niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een krachtens een gemeentelijke verordening aangewezen monument.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied noord en zuid" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden (W)".

Ingevolge artikel 1, elfde lid, van de planvoorschriften is een bijgebouw een vrijstaand gebouw, behorende bij en dienstbaar aan een woning.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, geldt voor het bouwen een maximale oppervlakte van 50 m² aan bijgebouwen bij/per woning.

2. Het bouwplan strekt tot het bouwen van een tuinhuisje met een vloeroppervlakte van 8,76 m² ten behoeve van de op het perceel aanwezige woning. De woning maakt deel uit van de op het perceel aanwezige boerderij.

Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en met redelijke eisen van welstand.

3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat voor realisering van het bouwplan geen vergunning is vereist, omdat de voormalige varkensschuur geen monument is.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 december 2012 in zaak nr. 201205158/1/A2), is slechts datgene als monument beschermd, wat als bouwkundige en functionele onlosmakelijke zelfstandige eenheid in de redengevende omschrijving is vermeld. Het tuinhuisje, tot de oprichting waarvan het bouwplan strekt, is een bijbehorend bouwwerk bij de op het perceel aanwezige woning. Die woning maakt onderdeel uit van de boerderij die in de redengevende omschrijving wordt vermeld. Of de voormalige varkensschuur een monument is en die schuur bij het perceel hoort, kan derhalve in het midden blijven, nu de woning een monument is.

Aldus vindt de activiteit, voor het uitvoeren waarvan vergunning is gevraagd, plaats bij een monument en heeft de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de bij het Bor, behorende bijlage II, met juistheid, zij het op andere gronden, overwogen dat voor realisering van het bouwplan omgevingsvergunning vereist is.

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het college, gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, omgevingsvergunning mocht weigeren, heeft miskend dat het college het advies van de Monumentencommissie van de Welstand en Monumenten Midden Nederland van 21 juni 2011 niet aan de weigering ten grondslag mocht leggen, nu daarin ten onrechte wordt geconcludeerd dat het tuinhuisje afbreuk doet aan het monument. Voorts heeft zij miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, nu eenzelfde tuinhuisje zonder beperkingen bij het woonhuis op de Achtersloot 45 te IJsselstein is gerealiseerd. Ten slotte heeft zij miskend dat het hier gaat om bouwen in het achtererfgebied, als bedoeld in de Wabo, waarvoor ingevolge die wet minder strenge eisen gelden dan voor het voorerfgebied, ook wat betreft de welstand.

4.1. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2012, in zaak nr. 201202351/1/A1), mogen burgemeester en wethouders bij de beoordeling van de welstand aan het advies van de welstandscommissie in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat zij dit niet, of niet zonder meer, aan hun oordeel omtrent de welstand ten grondslag hebben mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een anders luidend bericht overlegt van een andere deskundige, dan wel het advies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

De rechtbank heeft in hetgeen in beroep is aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het niet aan zijn oordeel ten grondslag mocht leggen. De welstandscommissie heeft op 23 juni 2011 negatief over het bouwplan geadviseerd, omdat het op te richten tuinhuisje in strijd is met de gemeentelijke welstandsnota. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het in relatie tot het gemeentelijk monument een schrale uitstraling en detaillering heeft. Voorts is daaraan ten grondslag gelegd dat de vormgeving in strijd lijkt met het monumentale karakter van de boerderij.

Het enkele feit dat de dakhelling, als gesteld, aansluit bij die van de varkensschuur, noopt niet tot het oordeel dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, nu voor het in het advies neergelegde oordeel het monumentale karakter van de boerderij, waartoe de woning behoort en ten behoeve waarvan het tuinhuisje wordt gerealiseerd, doorslaggevend is geweest. Dat, als gesteld, op het nabijgelegen perceel Achtersloot 45 oprichting van een tuinhuisje is toegestaan, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu het college ter zitting onweersproken heeft gesteld dat op dat perceel geen monument aanwezig is en voor dat tuinhuisje geen omgevingsvergunning is vereist. Nu de welstandsnota, voor zover van belang, geen onderscheid maakt tussen voor- en achtererfgebied, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat in het advies verkeerde criteria zijn toegepast.

Het betoog faalt.

5. [appellant] en anderen betogen evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan hun betoog dat het college het bouwplan ten onrechte in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand en heeft het college de omgevingsvergunning, gelet op artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, reeds daarom terecht geweigerd. Nu de gestelde omstandigheid dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan niet tot een ander oordeel kan leiden, heeft de rechtbank met juistheid hetgeen [appellant] en anderen ten aanzien van het bestemmingsplan hebben betoogd onbesproken gelaten.

6. Hetgeen [appellant] en anderen ten aanzien van eerder door het college genomen besluiten, waarbij het heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor de uitbreiding van de varkensschuur en het oprichten van een garage, hebben betoogd, leidt evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, reeds nu het betoogde geen betrekking heeft op het bij de rechtbank bestreden besluit van 12 december 2011.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Het verzoek van [appellant] en anderen om veroordeling van het college tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat ingevolge artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht zodanige veroordeling slechts mogelijk is, indien het hoger beroep gegrond wordt verklaard en dat niet gebeurt.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

407-712.