Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201208220/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:BX2119, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2011 heeft het college een aanvraag van [appellant] om vergunning voor het innemen van een standplaats op zondag op de carpoolplaats tussen Klundert en Zevenbergen in de periode tussen 1 juli 2011 en 1 juli 2012 voor de verkoop van bloemen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/387

Uitspraak

201208220/1/A3.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2012 in zaak nr. 12/915 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2011 heeft het college een aanvraag van [appellant] om vergunning voor het innemen van een standplaats op zondag op de carpoolplaats tussen Klundert en Zevenbergen in de periode tussen 1 juli 2011 en 1 juli 2012 voor de verkoop van bloemen afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door A.A.P. Nagtzaam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Moerdijk (hierna: APV) kan een vergunning of ontheffing door het daartoe bevoegde gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 5:17, eerste lid, wordt onder ‘standplaats’ het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel, verstaan.

Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, van de APV, is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet is het verboden een winkel voor het publiek geopend te hebben:

a. op zondag;

b. op Nieuwjaarsdag, op Goede Vrijdag na 19 uur, op tweede Paasdag, op Hemelvaartsdag, op tweede Pinksterdag, op 24 december na 19 uur, op eerste en tweede Kerstdag en op 4 mei na 19 uur;

c. op werkdagen voor 6 uur en na 22 uur.

Ingevolge het tweede lid is het voorts verboden op de in het eerste lid bedoelde dagen en tijden in de uitoefening van een bedrijf, anders dan in een winkel, goederen te koop aan te bieden of te verkopen aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling van de in artikel 2 vervatte verboden voor zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag en eerste of tweede Kerstdag worden verleend. Bij een zodanige maatregel kan de gemeenteraad de bevoegdheid worden verleend om, indien naar zijn oordeel plaatselijke omstandigheden daartoe aanleiding geven, bij verordening te bepalen dat een vrijstelling voor de betrokken gemeente of een of meer delen daarvan niet geldt.

Ingevolge het tweede lid, kan bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden verleend om met inachtneming van de in die maatregel gestelde regels in aanvulling op een vrijstelling op een daartoe strekkende aanvraag ontheffing te verlenen van de in het eerste lid bedoelde verboden.

Ingevolge artikel 6 van het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet (hierna: Vrijstellingenbesluit) gelden de in artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet, vervatte verboden niet ten aanzien van een winkel in een benzinestation, mits in die winkel de omzet uit de verkoop van goederen grotendeels wordt behaald uit de verkoop van brandstof en smeermiddelen voor voer- of vaartuigen en van benodigdheden voor gebruik, reiniging of spoedeisende reparaties van voer- of vaartuigen alsmede accessoires daarvoor.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, gelden de in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag en de feestdagen, niet ten aanzien van het te koop aanbieden en verkopen van voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, gelden de in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag en de feestdagen, in de directe omgeving van een bedevaartplaats, gedurende de tijd dat deze plaats als zodanig wordt bezocht, niet ten aanzien van het te koop aanbieden en verkopen van:

(…)

c. bloemen en planten.

2. Aan zijn besluit van 7 september 2011 heeft het college artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet ten grondslag gelegd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de standplaatsvergunning voor de zondag terecht heeft geweigerd. Hij voert hiertoe aan dat hij eerder wel een standplaatsvergunning voor de zondag had. Die vergunning had formele rechtskracht en wordt derhalve geacht rechtmatig te zijn. Het college dient de eerder verleende vergunning mee te nemen in de beoordeling van een aanvraag om een nieuwe vergunning. Het college heeft daarbij onvoldoende gemotiveerd waarom eerder wel een vergunning is verleend, maar nu niet, aldus [appellant].

Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft afgewezen. Hij stelt dat bij een frietkraam ter plaatse, die volgens het Vrijstellingenbesluit op zondag voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken te koop mag aanbieden en verkopen, meer wordt verkocht dan eetwaren voor directe consumptie. Ook betwist [appellant] dat een benzinestation ter plaatse voldoet aan de voor de verkoop van bloemen gestelde voorwaarde.

Tot slot voert [appellant] aan, zoals hij ter zitting nader heeft geconcretiseerd, dat het dorp Moerdijk een bedevaartplaats is, waarvoor een uitzonderingsregel op de Winkeltijdenwet geldt. De rechtbank heeft een onjuiste uitleg aan het begrip bedevaartplaats gegeven, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden overwogen dat het beroep op het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel met betrekking tot de eerder verleende standplaatsvergunning niet kan slagen. Het verlenen van een vergunning voor het op zondag innemen van een standplaats ten behoeve van het te koop aanbieden of verkopen van goederen aan particulieren is in strijd met artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat het college een gemaakte fout moet herhalen. Het college heeft te kennen gegeven in de voorgaande jaren ten onrechte vergunning te hebben verleend. De standplaatsvergunningen zijn steeds voor een beperkte periode verleend en in de vergunningen is op geen enkele wijze de indruk gewekt dat in toekomstige periodes onder gelijkblijvende omstandigheden opnieuw vergunning zou worden verleend. Hiermee heeft het college voldoende gemotiveerd waarom destijds wel vergunning is verleend, maar deze thans is geweigerd.

3.2. Ook heeft de rechtbank terecht en op juiste gronden overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot de frietkraam en het benzinestation niet kan slagen. De hoofdfunctie van de snackbar is het verkopen van eetwaren voor directe consumptie. Het afhalen van het eten valt hier ook onder, het is immers geschikt voor directe consumptie. De snackbar valt daarom onder artikel 12 van het Vrijstellingenbesluit en betreft een andere situatie dan die van [appellant]. Ook het benzinestation betreft geen gelijke situatie, nu dit onder artikel 6 van het Vrijstellingenbesluit valt. De enkele betwisting van [appellant] dat het benzinestation voor de verkoop van bloemen voldoet aan de in deze bepaling gestelde voorwaarde, is niet voldoende om aan te nemen dat het niet onder de vrijstelling valt.

3.3. Daargelaten of de bedevaartplaats alleen de kerk of het hele dorp betreft, is ter zitting gebleken dat de standplaats op enkele kilometers van de kerk en het dorp is gelegen. Reeds daarom kan de standplaats niet tot de directe omgeving van de bedevaartplaats worden gerekend, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van het Vrijstellingenbesluit.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

97-773.