Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201206269/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een gehandicaptenparkeerkaart en gehandicaptenparkeerplaats voor bestuurder/passagier afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206269/1/A3.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dordrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24 april 2012 in zaak nr. 11/502 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een gehandicaptenparkeerkaart en gehandicaptenparkeerplaats voor bestuurder/passagier afgewezen.

Bij besluit van 3 maart 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. O. Huisman, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door drs. G.A. Mulder en G.F. Bieleveld, beiden werkzaam bij de gemeente, vergezeld door A.P. van Duijkeren, arts, werkzaam bij GGD Zuid-Holland Zuid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart kunnen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder b, kunnen passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

2. [appellant] heeft op 26 oktober 2010 bij het college een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart bestuurder/passagier en een gehandicaptenparkeerplaats ingediend. Aan de afwijzing van deze aanvraag heeft het college het advies van 1 december 2010 van de GGD-arts Van Duijkeren ten grondslag gelegd. In het advies concludeert de GGD-arts dat [appellant] last heeft van de lage rug en het bekken waardoor hij een beperkt loopvermogen heeft. De geschatte loopafstand die [appellant] kan afleggen, is meer dan 125 meter. Daarbij is het niet vast komen te staan dat [appellant] voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder. Hiermee voldoet [appellant] niet aan de voor een gehandicaptenparkeerkaart geldende criteria, aldus het advies van de GGD-arts.

3. Ter zitting heeft [appellant] de Afdeling verzocht de procedure aan te houden tot het college een besluit heeft genomen op een hernieuwde aanvraag van [appellant] voor een gehandicaptenparkeerkaart.

3.1. De hernieuwde aanvraag is gedaan op grond van nieuwe medische rapporten en gestelde nieuwe omstandigheden, te weten een verergerde medische situatie. Nu de hernieuwde aanvraag derhalve los staat van deze zaak, heeft [appellant] geen gerechtvaardigd belang bij het aanhouden van de procedure. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het advies van de GGD-arts niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en inzichtelijk is. De GGD-arts heeft geen looptest over een lange afstand afgenomen, maar slechts zijn loopvermogen geobserveerd tijdens het lopen van en naar de spreekkamer. Aan het loopvermogen over een dergelijke korte afstand mogen geen conclusies worden verbonden over een afstand van meer dan honderd meter. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de door hem overgelegde informatie van de fysiotherapeut T.J. Gijsberts geen concreet aanknopingspunt vormt voor het standpunt dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en niet inzichtelijk is. Hij heeft te kennen gegeven dat Gijsberts tegen hem heeft gezegd dat hij arts is en in België heeft gestudeerd. Hiermee heeft hij de stelling van het college dat Gijsberts geen arts is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel weersproken. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de door Gijsberts uitgevoerde looptest niet ziet op zijn medische toestand ten tijde van de periode in geding. Zijn klachten zijn sinds 1985 constant gebleven, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 augustus 2010 in zaak nr. 200909050/1/H3) mag het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

Volgens het advies van 1 december 2010 heeft de GGD-arts lichamelijk onderzoek verricht. De bevindingen van dit onderzoek zijn in overeenstemming met de anamnese. Ook heeft een looponderzoek plaatsgevonden, waarbij het loopvermogen van [appellant] is geobserveerd tijdens het lopen van en naar de spreekkamer. De GGD-arts concludeert dat [appellant] adequaat liep, aldus het advies. Dat het daarbij ging om korte afstanden, doet geen afbreuk aan het onderzoek, aangezien de arts in het licht van al hetgeen hij heeft meegenomen in zijn beoordeling, tot de conclusie is gekomen dat [appellant] een aaneengesloten loopafstand kan afleggen van meer dan 125 meter. [appellant] heeft gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de GGD-arts is afgeweken van hetgeen onder beroepsgenoten gebruikelijk is bij een dergelijke keuring.

De door [appellant] overgelegde verklaring van Gijsberts doet niet af aan het advies. Uit de verklaring volgt dat Gijsberts op 3 juni 2011 een zes-minuten wandeltest heeft verricht bij [appellant]. De test is een veelgebruikte submaximale inspanningstest die gebruikt kan worden om het functionele inspanningsvermogen van een patiënt in kaart te brengen en te evalueren, zo volgt uit de verklaring van Gijsberts. Deze test is, beginnend bij een loopsnelheid van drie kilometer per uur, na 45 seconden gestopt wegens de snel toenemende pijn van [appellant]. Ongeacht of een deskundigenadvies slechts door een arts kan worden gegeven, is niet aannemelijk gemaakt dat deze looptest de van belang zijnde periode betreft. [appellant] heeft gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat de klachten tussen de keuring door de GGD-arts en de looptest van Gijsberts niet zijn verergerd.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het advies niet op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en inzichtelijk is. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

582-773.