Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201202932/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toevoeging van een advocaat voor het verlenen van rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202932/1/A2.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2012 in zaak nr. 11/6117 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2011 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toevoeging van een advocaat voor het verlenen van rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2011 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 7 maart 2012, waarvan het afschrift van het proces-verbaal is verzonden op 9 maart 2012, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit proces-verbaal is aangehecht.

[appellant] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij uitspraak van 30 juli 2012, in zaak nr. 201202932/2/A2, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de aangevallen uitspraak bevestigd.

Bij uitspraak van 7 februari 2013, in zaak nr. 201202932/3/A2, heeft de Afdeling het daartegen gedane verzet gegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2013, waar de raad, vertegenwoordig door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij de raad, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het verschuldigde griffierecht niet tijdig betaald heeft geacht en deswege het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien zijn advocaat bij de rechtbank een rekening-courant aanhoudt die ten onrechte niet daarvoor is benut.

1.1. Uit de door de advocaat van [appellant] ingezonden afrekening rekening-courant van de rechtbank van 3 januari 2012 over de maanden november en december 2011 blijkt dat hij in ieder geval ten tijde van de ontvangst van het beroep door de rechtbank op 28 december 2011 over een rekening-courant beschikte. Hieruit volgt dat de rechtbank die rekening met het verschuldigde griffierecht had moeten belasten.

1.2. Het vorenstaande brengt met zich dat moet worden geoordeeld dat het niet tijdig betalen van griffierecht [appellant] niet kan worden verweten en dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] inhoudelijk behandelen.

3. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van de raad eenvoudig afgehandeld kan worden.

4. De procedure waarvoor [appellant] om toevoeging heeft verzocht, betreft het maken van bezwaar tegen de weigering van een bijstandsuitkering. De uitkering is geweigerd, omdat [appellant] de zogeheten inlichtingenplicht zou hebben geschonden.

5. Aan het besluit van 11 november 2011 heeft de raad ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van een inhoudelijk juridische kwestie. Van [appellant] mocht worden verwacht dat hij zelf kan aanvoeren waarom hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden en dat hij zelf de feitelijke situatie kan toelichten. Uit de beslissing op bezwaar van de Dienst Werk en Inkomen van 15 augustus 2011 blijkt niet dat juridische argumenten naar voren zijn gebracht. Dit blijkt evenmin uit het verslag van de aan dit besluit voorafgegane hoorzitting, aldus de raad.

6. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte zijn toevoegingsaanvraag heeft afgewezen. In beroep in de procedure hierover heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitkering ten onrechte is stopgezet. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij in die procedure niet door de rechtbank in het gelijk zou zijn gesteld, als hij in beroep niet was bijgestaan door zijn advocaat. Verder stelt [appellant] dat uit het feit dat de raad hem voor andere procedures over zijn uitkering wel toevoegingen heeft verleend, kan worden afgeleid dat de raad wist dat hij de juridische bijstand waarvoor de onderhavige toevoeging is gevraagd nodig had.

6.1. In hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de raad juridische bijstand door een advocaat redelijkerwijs noodzakelijk heeft moeten achten en de gevraagde toevoeging voor het maken van bezwaar in dit geval niet heeft kunnen weigeren met toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb, als hij heeft gedaan. De raad heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat [appellant] zich zo nodig kon laten bijstaan door een derde wiens werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb.

Uit de enkele stelling dat de raad [appellant] in andere procedures wel toevoegingen heeft verleend, kan niet worden afgeleid dat [appellant] ook in de procedure die thans voorligt een toevoeging zou moeten worden verleend.

Het betoog faalt.

7. Het beroep bij de rechtbank is ongegrond.

8. Nu het besluit van 11 november 2011 niet onrechtmatig is, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

9. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de raad moet worden vergoed. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze wet ten tijde van belang luidde, brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2012 in zaak nr. 11/6117;

III. verklaart het in die zaak bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

18-735.