Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207322/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het vernieuwde gedeelte van de [schuur], achter op het perceel [locatie] te Breukelen, in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden en de schuur overeenkomstig de bestemmingsplanvoorschriften in gebruik te nemen door alle faciliteiten, die het mogelijk maken om de schuur te gebruiken voor bewoning of als recreatievoorziening, te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207322/1/A1.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Breukelen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 juni 2012 in zaak nr. 11/4267 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het vernieuwde gedeelte van de [schuur], achter op het perceel [locatie] te Breukelen, in zijn geheel te verwijderen en verwijderd te houden en de schuur overeenkomstig de bestemmingsplanvoorschriften in gebruik te nemen door alle faciliteiten, die het mogelijk maken om de schuur te gebruiken voor bewoning of als recreatievoorziening, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 15 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dit ziet op de hoogte van de dwangsom, het bedrag van de dwangsom gematigd en het besluit van 14 december 2010 voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 12 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.M. Kool, advocaat te Waverveen, en het college, vertegenwoordigd door A.F.J.M. Emmelot, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van de [schuur] als recreatiewoning niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Partiële herziening Landelijk Gebied rondom de Vecht (2009)" valt. Hij voert daartoe aan dat uit de verklaringen die hij heeft overgelegd kan worden afgeleid dat het college al sinds de jaren ‘50 van de vorige eeuw op de hoogte is van dit gebruik en het met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet tijdig heeft gewraakt, zoals is vereist ingevolge het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied rondom de Vecht (2006)".

1.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Partiële herziening Landelijk Gebied rondom de Vecht (2009)" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch, landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied" met bestemmingsaanduiding ‘dagrecreatief medegebruik’. Het perceel heeft de aanduidingen "extra bebouwing" en "Dagrecreatieve doeleinden".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangegeven gronden, onder meer, bestemd voor de uitoefening van agrarische bedrijven, voor het behoud en het herstel van de ter plaatse voorkomende, dan wel de daaraan eigen cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden en voor het kamperen bij de boer.

Ingevolge het vierde lid, onder o, mag uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "extra bebouwing" erfbebouwing worden gebouwd, waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan op de plankaart bij de aanduiding "eb" is aangegeven.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te doen of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met het in dit plan, behoudens in artikel 37, tweede lid, bepaalde.

Ingevolge artikel 37, vierde lid, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge het zevende lid, is het vierde lid niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Ingevolge het voorheen geldend bestemmingsplan "Landelijk Gebied rondom de Vecht (2006)" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden tevens cultuurhistorisch, landschappelijk en natuurwetenschappelijk waardevol gebied". Het perceel ter plaatse van de [schuur] heeft de aanduiding "extra bebouwing + aantal m²" en "Dagrecreatieve Doeleinden".

Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken, anders dan bebouwing, dat in strijd is met het in dit plan bepaalde, worden voortgezet dan wel gewijzigd, mits de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van dit plan, naar aard en omvang niet worden vergroot.

Ingevolge het derde lid, is het bepaalde in het tweede lid niet van toepassing op gebruik als daar bedoeld, dat reeds in strijd was met het tot het daargenoemde tijdstip ter plaatse geldende bestemmingsplan, mits het gemeentebestuur hiervan redelijkerwijs op de hoogte heeft kunnen zijn en daartegen ook tijdig heeft opgetreden.

1.2. [appellant] is sinds 1997 eigenaar van een woning op het perceel [locatie] te Breukelen en sinds 1999 eigenaar van de nabijgelegen [schuur]. [appellant] heeft de schuur in de zomermaanden zelf als recreatiewoning in gebruik genomen, nadat [persoon] het gebruik als recreatiewoning met ingang van 1 maart 2005 had beëindigd. Niet in geschil is dat het gebruik van de [schuur] als recreatiewoning in strijd is met de in het bestemmingsplan "Partiële herziening Landelijk Gebied rondom de Vecht (2009)" toegekende bestemming. Voorts is niet in geschil dat het gebruik in strijd was met de in het voorheen geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied rondom de Vecht (2006)" toegekende bestemming. Evenmin is in geschil dat het gebruik in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied langs de Vecht 1972".

1.3. Gelet op artikel 37, derde lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied rondom de Vecht (2006)" is tijdig gewraakt, indien vóór het van kracht worden van het bestemmingsplan is gewraakt. Bij brief van 25 februari 2005 heeft het college [appellant] op de hoogte gesteld van het met ingang van 1 maart 2005 vervallen van het persoonsgebonden gedoogde gebruik van [schuur] als recreatieverblijf, dat het opnieuw in gebruik nemen van de schuur in strijd met de bestemming verboden is en dat zal worden opgetreden indien dit opnieuw gebruiken wordt geconstateerd. Ter zitting heeft [appellant] de ontvangst van deze brief bevestigd. Gelet hierop staat vast dat het college het gebruik vóór het van kracht worden van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied rondom de Vecht (2006)", derhalve tijdig, heeft gewraakt. Het betoog van [appellant] dat het college reeds voor 1972 van het gebruik als recreatiewoning op de hoogte was dan wel kon zijn, wat daar ook van zij, kan hem niet baten nu het bestemmingsplan "Landelijk gebied langs de Vecht 1972" geen overgangsrecht bevat op grond waarvan gebruik dat reeds bestond voor inwerkingtreding van het plan en daarmee in strijd was, mocht worden voortgezet.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat daartegen handhavend kan optreden in de regel van die bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat toepassing van het overgangsrecht in dit geval niet leidt tot onbillijkheid van overwegende aard jegens hem. Daartoe voert hij aan dat het gebruik beperkt is, omdat hij de [schuur] slechts ten behoeve van zichzelf gebruikt en het gebruik van de schuur in de drukke zomermaanden noodzakelijk is voor het bedienen van de sluis.

3.1. Ingevolge artikel 37, achtste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Partiële herziening Landelijk Gebied rondom de Vecht (2009)" kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van het overgangsrecht verlenen, voor zover toepassing van het overgangsrecht bouwwerken of gebruik leidt tot onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2013 in zaak nrs. 201212043/1/A1 en 201212043/2/A1) volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is ontheffing te verlenen, voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door het college ingenomen standpunt in rechte onhoudbaar is en dat de vereiste medewerking, indien gevraagd, niet zal mogen worden geweigerd. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat ten tijde van het besluit van 15 november 2011 geen concreet zicht op legalisering bestond.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college het vertrouwen heeft gewekt tegen het gebruik van de [schuur] als recreatievoorziening niet handhavend te zullen optreden, omdat het gebruik al langere tijd bestaat en het college daarvan op de hoogte was.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 juli 2009 in zaak nr. 200909962/1/H3) brengt de enkele omstandigheid dat het college bekend was met de illegale situatie, wat daar in dit geval ook van zij, maar gedurende lange tijd daartegen geen handhavingsmaatregelen heeft getroffen, niet met zich dat niet meer handhavend mocht worden opgetreden. Verder kan [appellant] aan de omstandigheid dat het college tegen het jarenlange gebruik van de schuur als recreatievoorziening door [persoon] niet handhavend is opgetreden, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen, dat het college na beëindiging van dat gebruik door [persoon] ook niet tegen gebruik als recreatiewoning door hem zou optreden. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant] voor de koop van de schuur bij de gemeente over het toegelaten gebruik van deze schuur informatie had kunnen inwinnen. Uit de brief van 5 april 2000 van het college kan evenmin worden afgeleid dat het college van handhaving zou afzien.

Het betoog faalt.

5. Voorts handhaaft [appellant] hetgeen door hem eerder in zijn beroepschrift is gesteld onverkort en beschouwd dit als herhaald en ingelast. De rechtbank heeft deze beroepsgronden gemotiveerd weerlegd. [appellant] heeft geen argumenten aangevoerd, waarom die overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding het hoger beroep gegrond te verklaren.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

270-771.