Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201109781/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij en akkerbouwbedrijf aan de [locatie] te Eeserveen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet geurhinder en veehouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109781/1/A4.

Datum uitspraak: 17 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Eeserveen, gemeente Borger-Odoorn, en anderen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borger-Odoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een pluimveehouderij en akkerbouwbedrijf aan de [locatie] te Eeserveen.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2013, waar [appellant] en anderen, waarvan [gemachtigden] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ing. F. Schothuis en mr. Y. Meijer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghoudster, vertegenwoordigd door haar maten [maat A] en [maat B], bijgestaan door ing. J. Bouwman, als partij gehoord.

Overwegingen

Procedurele aspecten

1. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [3 appellanten], is ingetrokken.

2. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.1. Het beroep is mede ingesteld door [appellant A]. Zij heeft geen zienswijzen naar voren gebracht over het ontwerpbesluit. Niet is gebleken dat haar dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het beroep van [appellant] en anderen is dan ook niet-ontvankelijk voor zover dit is ingesteld door [appellant A].

3. [appellant] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond over vergunningvoorschrift 2.7 ingetrokken.

Overgangsrecht Wabo

4. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om verlening van de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

Inhoudelijke aspecten

5. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

6. [appellant] en anderen stellen dat de aanvraag wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten worden geweigerd. In dit verband voeren zij onder meer aan dat de inrichting niet grondgebonden is, nu de uitloop voor het pluimvee kleiner is dan 30.000 m2, terwijl de SKAL-normen 1 m2 per dier voorschrijven en het pluimvee niet continu gebruik maakt van de uitloop.

6.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met het bestemmingsplan.

6.2. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer behelst geen verplichting maar een bevoegdheid de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren. Het college stelt dat de aangevraagde situatie niet in strijd is met het ter plaatse van de inrichting geldende bestemmingsplan "Buitengebied, gemeente Odoorn", nu de aangevraagde activiteiten voldoen aan de voorschriften voor een grondgebonden agrarisch bedrijf uit dat plan. Ter zitting heeft het college gesteld dat het bij strijd met het bestemmingsplan zal bevorderen dat dit wordt gewijzigd om de vestiging van de aangevraagde inrichting op het perceel mogelijk te maken. Het college heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten om de vergunning niet krachtens artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant] en anderen voeren aan dat het college bij de geurberekeningen voor negen woningen van derden ten onrechte is uitgegaan van een geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht. Zij stellen dat ter plaatse van deze woningen een geurnorm van 2 odour units per kubieke meter lucht geldt, nu deze woningen binnen de bebouwde kom liggen. Zij verwijzen in dit verband onder meer naar het ter plaatse geldende bestemmingsplan. [appellant] en anderen stellen daarnaast dat tien woningen, een school die nu als gemeenschapshuis functioneert en de inrichting samen als een op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur kunnen worden aangemerkt.

7.1. Het begrip bebouwde kom kan volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij worden omschreven als het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de Wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, blz. 17 en 18).

7.2. Het gebied dat ten behoeve van de geurberekeningen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, is aangemerkt als buiten de bebouwde kom gelegen, bestaat uit enkele woningen en agrarische bedrijven. De omgeving van deze woningen en bedrijven bestaat hoofdzakelijk uit weiland en akkerbouwgronden. Hoewel er enige concentratie van gebouwen en bevolking bestaat, is de omvang daarvan te klein om die concentratie als bebouwde kom te kunnen aanmerken. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het college is derhalve ten behoeve van de door [appellant] en anderen genoemde woningen terecht uitgegaan van een geurnorm van 8 odour units per kubieke meter lucht behorende bij geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellant] en anderen stellen dat het college ten onrechte geen maximale geluidgrenswaarden heeft gesteld voor de incidentele bedrijfssituatie. Daarnaast voeren zij aan dat het vangen, verladen en afvoeren van kippen tot de representatieve bedrijfssituatie hoort. [appellant] en anderen verwijzen in dit verband naar verschillende uitspraken van de Afdeling waarin activiteiten die enkele keren per jaar voorkomen, als onderdeel van de representatieve bedrijfssituatie zijn aangemerkt. [appellant] en anderen voeren aan dat, mochten de activiteiten niet tot de representatieve bedrijfssituatie behoren, de activiteiten tot de regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie behoren, zodat deze genormeerd hadden moeten worden.

8.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt genomen.

In paragraaf 5.3 van de Handreiking is onder meer vermeld dat een ontheffing kan worden verleend om maximaal twaalf dagen per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat daarbij om bijzondere activiteiten, welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. Volgens paragraaf 5.3 moet bij de beslissing over verlening van ontheffing een belangenafweging plaatsvinden, waarbij gekeken moet worden naar mogelijkheden om de geluidbelasting te verminderen. Dat kan volgens de Handreiking bijvoorbeeld door minder dan 12 ontheffingen te verlenen, maximale geluidgrenzen op te leggen of de duur van de ontheffing te beperken.

8.2. Het college heeft het vangen, verladen en afvoeren van de opfokhennen in de vergunningvoorschriften 2.4 en 2.6 maximaal zes keer per jaar uitgezonderd van de in de vergunningvoorschriften 2.2 en 2.3 gestelde geluidgrenswaarden voor onderscheidenlijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau.

8.3. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het maximaal zes keer per jaar vangen, verladen en afvoeren van opfokhennen niet als incidentele bedrijfssituatie heeft kunnen aanmerken. Voor zover [appellant] en anderen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling van 23 september 2009 in zaak nr. 200808095/1/M1 en 11 maart 2011 in zaak nr. 201005239/1/M2, wordt overwogen dat die uitspraken betrekking hadden op een niet vergelijkbare situatie. In die zaken had het bevoegd gezag activiteiten die behoorden tot de kernactiviteiten van de inrichting als incidentele bedrijfssituatie aangemerkt. In de onderhavige zaak is de kernactiviteit het houden van opfokhennen, niet het vangen, verladen en afvoeren van de hennen.

8.4. Om de geluidhinder in de incidentele bedrijfssituatie te beperken heeft het college voor zes keer per jaar ontheffing verleend, in vergunningvoorschrift 2.5 opgenomen dat het uitmesten van de stal niet onder de incidentele bedrijfssituatie valt en in vergunningvoorschrift 2.7 voorgeschreven dat het verladen en afvoeren uitsluitend aan de achterzijde van de stal plaatsvindt. Daarnaast heeft het college voorgeschreven dat de activiteiten minstens vijf werkdagen van tevoren aan hem moeten worden gemeld en dat van de activiteiten een logboek moet worden bijgehouden. Met deze nadere voorschriften heeft het college aan paragraaf 5.3 van de Handreiking voldaan. Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, is het stellen van maximale geluidgrenswaarden in de incidentele bedrijfssituatie op grond van paragraaf 5.3 van de Handreiking geen verplichting.

De beroepsgrond faalt.

9. [appellant] en anderen voeren aan dat het college ten onrechte van maximale geluidgrenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode is uitgegaan. Volgens hen mochten deze geluidgrenswaarden zonder nadere motivering maximaal 10 dB(A) boven het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau liggen.

9.1. Voor de maximale geluidniveaus bevat paragraaf 3.2 van de Handreiking, voor zover hier van belang, de aanbeveling deze te bepalen op 10 dB(A) boven de voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgestelde grenswaarden, doch op niet meer dan 70, 65 en 60 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in vergunningvoorschrift 2.3 gestelde grenswaarden zijn niet hoger dan de op grond van de Handreiking toelaatbaar geachte grenswaarden, zodat het college deze in zoverre in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder. Niet kan worden gesteld dat het college, door het opnemen van deze geluidgrenswaarden, is getreden buiten de grenzen van de hem toekomende beoordelingsvrijheid. Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, hoefde het college het opnemen van deze grenswaarden dan ook niet nader te motiveren.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellant] en anderen stellen dat het college ten onrechte geen voorschriften over hinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting aan de vergunning heeft verbonden. Volgens hen zal de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de circulaire "Beoordeling geluidhinder wegverkeer van en naar de inrichting" door het afvoeren van vleeskuikens met name in de nachtperiode worden overschreden, omdat de woningen van derden aan de weg staan. Zij betwijfelen daarnaast of aan de binnenwaarde van 25 dB(A) kan worden voldaan.

10.1. Geluidhinder van verkeer van en naar de inrichting is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling uitsluitend aan het in werking zijn van een inrichting toe te rekenen - en daarmee bij de verlening van een vergunning te betrekken - zo lang dit verkeer zich door zijn rijgedrag onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Het college stelt dat de transportbewegingen ten behoeve van het afvoeren van pluimvee zullen plaatsvinden via de uitweg aan de Achterweg. Deze uitrit staat op de situatietekening als behorende bij het bestreden besluit. De enige erfverharding bij de pluimveestal ligt aan de zijde van de uitrit aan de Achterweg. Het is derhalve aannemelijk dat onder meer het verladen van pluimvee aan de zijde van de Achterweg zal plaatsvinden en het verkeer in dit verband gebruik zal maken van de uitrit aan de Achterweg. Gelet op de plaats van de uitrit zal het verkeer van en naar de inrichting zich ter hoogte van de woningen van derden door zijn rijgedrag niet langer onderscheiden van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. In zoverre treedt geen aan de inrichting toe te rekenen geluidhinder op. Reeds daarom bestond geen aanleiding om ter zake een voorschrift aan de vergunning te verbinden.

De beroepsgrond faalt.

11. [appellant] en anderen vrezen dat vergunningvoorschrift 6.5 niet naleefbaar is, omdat er geen voorzieningen, zoals een beregeningsinstallatie, zijn aangevraagd voor het bevochtigen van het uitloopterrein.

11.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 6.5 vindt het gebruik van de uitloopruimte rondom de stallen, zoals aangegeven op de plattegrondtekening behorende bij de vergunningaanvraag, op een zodanige wijze plaats, dat geen zand- of stofverspreiding buiten de inrichting kan plaatsvinden. Het tegengaan van zand- of stofverspreiding dient plaats te vinden door bevochtiging van het uitloopterrein met water.

11.2. Uit hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, volgt niet dat voornoemd voorschrift niet naleefbaar is. De bevochtiging van het uitloopterrein met water kan op verschillende manieren plaatsvinden. Daarvoor hoeven niet zonder meer voorzieningen, zoals aangeduid door [appellant] en anderen, te worden aangevraagd.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

12. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door [appellant A];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2013

628.