Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7690

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201302687/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij beschikking van 8 januari 2013 heeft het college ingevolge artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht een verschuldigd bedrag van € 30.000,- ingevorderd wegens het niet voldoen aan de last onder dwangsom van 12 maart 2012, die [verzoekster] is opgelegd vanwege overtreding van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) binnen de varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te Oirschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302687/1/R2.

Datum uitspraak: 12 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te Oirschot,

verzoekster

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 8 januari 2013 heeft het college ingevolge artikel 5:37 van de Algemene wet bestuursrecht een verschuldigd bedrag van € 30.000,- ingevorderd wegens het niet voldoen aan de last onder dwangsom van 12 maart 2012, die [verzoekster] is opgelegd vanwege overtreding van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) binnen de varkenshouderij gelegen aan de [locatie] te Oirschot.

Tegen deze invorderingsbeschikking heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

[verzoekster] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 april 2013, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [directeur], adviseur en mr. E.R. Koster, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door ing. C.L. Kouwenberg en mr. M.J.B. Bruggeman, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [verzoekster] betoogt dat zij het besluit op bezwaar van 12 september 2012 ter zake van de last onder dwangsom niet heeft ontvangen. Zij stelt tegen de brief van het college van 2 november 2012 omtrent het verbeuren van een dwangsom van € 30.000,- bezwaar te hebben ingediend. [verzoekster] voert verder aan dat zij alles in het werk heeft gesteld om overtreding van de Nbw 1998 te voorkomen, onder meer heeft zij een gecombineerde biologische luchtwasser met datalogin op stal J geplaatst. Verder stelt [verzoekster] dat de invorderingsbeschikking de sluiting van haar varkenshouderij betekent.

2. De voorzitter overweegt dat thans uitsluitend de invorderingsbeschikking van 8 januari 2013 in geschil is. Het besluit op bezwaar van 12 september 2012 ter zake van de primaire last onder dwangsom van 12 maart 2012 is in rechte onaantastbaar, nu [verzoekster] tegen het besluit op bezwaar van 12 september 2012 geen beroep heeft ingesteld. Daaraan kan niet afdoen dat, naar [verzoekster] stelt, het besluit op bezwaar van 12 september 2012 pas ruim na de termijn van zes weken voor het instellen van beroep bij haar bekend is geworden. [verzoekster] had immers zo spoedig mogelijk na het bij haar bekend worden van dat besluit beroep kunnen instellen, hetgeen zij heeft nagelaten. De voorzitter wijst voorts op de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2012 in zaak nr. 201109682/1/A1, waaruit volgt dat bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom niet meer in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking aan de orde kunnen komen. De genoemde brief van het college van 2 november 2012 betreft de mededeling aan [verzoekster] dat zij een dwangsom heeft verbeurd van € 30.000,- wegens de op 19 juli 2012 geconstateerde overtreding van de Nbw-vergunning van 26 juni 2007, maar betreft niet een invorderingsbeschikking. De brief van 2 november 2012 betreft een zogenoemde verbeurtebrief, waartegen geen bezwaar en beroep mogelijk is, hetgeen het college in die brief ook heeft vermeld. De voorzitter wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2012 in de zaak nr. 201110353/1/A1, rechtsoverweging 2.5.1.

3. De voorzitter overweegt verder dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een medewerker van het bureau Handhaving Natuur, Bodem en Water van de provincie op 19 juli 2012 ten onrechte heeft vastgesteld dat de ammoniakemissie op basis van het aantal aanwezige dieren en stalsystemen 4.522,1 kg/jaar bedraagt en dat daarmee de geldende Nbw-vergunning van 26 juni 2007 is overtreden. Het college heeft deze overtreding derhalve terecht als grondslag van de bestreden invorderingsbeschikking genomen. [verzoekster] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van de invorderingsbeschikking had behoren af te zien. De enkele stelling van [verzoekster] dat de invordering van € 30.000,- het einde van haar varkenshouderij betekent zonder dat hierbij nadere boekhoudkundige cijfers zijn overgelegd, kan niet als een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld worden aangemerkt.

4. Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 april 2013

12.