Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7683

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201111404/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6951, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Rb. terecht heeft overwogen, is het uitgangspunt in art. 5, lid 3 van de richtlijn dat een verzoek tot gezinshereniging buiten het grondgebied van de lidstaat van verblijf van de gezinshereniger wordt ingediend. De Rb. heeft dan ook terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat om te oordelen dat Nederland geen vrijheid heeft om van vreemdelingen die zich hier te lande bevinden en die aan alle materiële vereisten voor uitoefening van het recht op gezinshereniging voldoen - hetgeen thans overigens nog niet is vastgesteld - te vergen dat zij daarnaast ook voldoen aan het mvv-vereiste. Immers, indien uitoefening van dit recht alleen afhankelijk zou kunnen worden gesteld van de vraag of de vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten, opgenomen in hoofdstuk IV en art. 16, zouden de vereisten in hoofdstuk III niet zijn opgenomen, noch reden bestaan om uitzonderingsmogelijkheden in de vorm van 'passende gevallen' in art. 5, lid 3 van de richtlijn op te nemen.

Deze uitleg wordt ondersteund door de toelichting bij het voorstel voor de richtlijn (COM(1999) 638 definitief). In dit voorstel bepaalt art. 7, lid 2, dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid strekkende tot indiening van het verzoek wanneer het gezinslid zich buiten het grondgebied van de lidstaat bevindt, de betrokken lidstaat in bijzondere gevallen of op grond van humanitaire overwegingen verzoeken onderzoekt die tijdens het verblijf van het gezinslid op zijn grondgebied zijn ingediend. De toelichting op dit artikellid (zie voormeld COM-document, p. 19) stelt dat de gezinshereniger zijn verzoek moet indienen wanneer de leden van zijn gezin zich buiten het grondgebied bevinden, en dat in bijzondere gevallen deze regel kan worden versoepeld, met name wanneer het gezinslid zich al met een andere verblijfstitel op het grondgebied bevindt en alleen maar een andere status hoeft te krijgen, of op humanitaire gronden, bijvoorbeeld bij een kind wiens enige ouder de gezinshereniger is. Nu het uiteindelijke art. 5, lid 3 van de richtlijn van het voorgestelde art. 7, lid 2, slechts in zoverre verschilt dat wordt gesproken van 'passende gevallen' en dat daarin de afwijking van de hoofdregel als een facultatieve bepaling ('kan') is geformuleerd, kan uit deze toelichting ook voor de uitleg van art. 5, lid 3 van de richtlijn worden afgeleid dat de indiening van het verzoek buiten de lidstaat de hoofdregel vormt (zie naar analogie het arrest van het Hof van 21 april 2005, C-267/03, Lindberg, punt 61 e.v.; www.curia.europa.eu). De Rb. heeft aldus met juistheid overwogen dat ook in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 5, lid 3 van de richtlijn geen aanknopingspunten zijn te vinden voor een uitleg zoals de vreemdeling die voorstaat.

Voorts heeft de Rb. terecht overwogen dat de nationale regelgeving (…) voldoende ruimte biedt om een individuele afweging te maken of sprake is van dusdanige omstandigheden dat in een concreet geval, ondanks het niet voldoen aan het mvv-vereiste, een beoordeling of de desbetreffende vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten dient plaats te vinden. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat aldus afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn of het nuttig effect ervan.

Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punt 16, (www.curia.europa.eu) geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/197
Ars Aequi RV20130022 met annotatie van T. Weterings
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111404/1/V2.

Datum uitspraak: 8 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 30 september 2011 in zaak nr. 09/47118 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 16 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 september 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de eerste en tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen grond bestaat om te oordelen dat Nederland geen vrijheid heeft om van vreemdelingen die zich hier te lande bevinden en die aan de materiële vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voldoen, te vergen dat zij daarnaast ook voldoen aan het vereiste om in het bezit te zijn van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste). Daartoe betoogt de vreemdeling dat uitoefening van het recht op gezinshereniging volgens richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71; hierna: de richtlijn) niet afhankelijk is gesteld van het voldoen aan de in hoofdstuk III van de richtlijn vermelde procedurele vereisten, zodat het mvv-vereiste niet had mogen worden gesteld. Voorts hebben 'passende gevallen' in de zin van artikel 5, derde lid, van de richtlijn een bredere betekenis dan de bijzondere omstandigheden die binnen de Nederlandse regelgeving noodzakelijk zijn om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van het mvv-vereiste. Hiermee wordt volgens de vreemdeling afbreuk gedaan aan het doel van de richtlijn en het nuttig effect ervan. Ten minste hadden hierover prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof), aldus de vreemdeling.

2.1. Volgens artikel 4, eerste lid, van de richtlijn geven de lidstaten uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de in dat artikel genoemde gezinsleden.

Volgens artikel 5, derde lid, van hoofdstuk III, Indiening en behandeling van het verzoek, wordt het verzoek ingediend en behandeld wanneer de gezinsleden verblijven buiten het grondgebied van de lidstaat van verblijf van de gezinshereniger. In afwijking hiervan kan een lidstaat in passende gevallen aanvaarden dat een verzoek wordt ingediend wanneer de gezinsleden zich reeds op zijn grondgebied bevinden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt in deze wet, voor zover thans van belang, onder 'mvv' verstaan: het bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst, het land van bestendig verblijf of, bij gebreke daarvan, het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd, door een vreemdeling in persoon aangevraagde en aldaar door die vertegenwoordiging afgegeven visum voor een verblijf van langer dan drie maanden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het in dat lid genoemde categorieën gevallen betreft.

Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder l, is op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van het mvv-vereiste vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.

Ingevolge het vierde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is het uitgangspunt in artikel 5, derde lid, van de richtlijn dat een verzoek tot gezinshereniging buiten het grondgebied van de lidstaat van verblijf van de gezinshereniger wordt ingediend. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat om te oordelen dat Nederland geen vrijheid heeft om van vreemdelingen die zich hier te lande bevinden en die aan alle materiële vereisten voor uitoefening van het recht op gezinshereniging voldoen - hetgeen thans overigens nog niet is vastgesteld - te vergen dat zij daarnaast ook voldoen aan het mvv-vereiste. Immers, indien uitoefening van dit recht alleen afhankelijk zou kunnen worden gesteld van de vraag of de vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten, opgenomen in hoofdstuk IV en artikel 16, zouden de vereisten in hoofdstuk III niet zijn opgenomen, noch reden bestaan om uitzonderingsmogelijkheden in de vorm van 'passende gevallen' in artikel 5, derde lid, van de richtlijn op te nemen.

Deze uitleg wordt ondersteund door de toelichting bij het voorstel voor de richtlijn (COM(1999) 638 definitief). In dit voorstel bepaalt artikel 7, tweede lid, dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid strekkende tot indiening van het verzoek wanneer het gezinslid zich buiten het grondgebied van de lidstaat bevindt, de betrokken lidstaat in bijzondere gevallen of op grond van humanitaire overwegingen verzoeken onderzoekt die tijdens het verblijf van het gezinslid op zijn grondgebied zijn ingediend. De toelichting op dit artikellid (zie voormeld COM-document, p. 19) stelt dat de gezinshereniger zijn verzoek moet indienen wanneer de leden van zijn gezin zich buiten het grondgebied bevinden, en dat in bijzondere gevallen deze regel kan worden versoepeld, met name wanneer het gezinslid zich al met een andere verblijfstitel op het grondgebied bevindt en alleen maar een andere status hoeft te krijgen, of op humanitaire gronden, bijvoorbeeld bij een kind wiens enige ouder de gezinshereniger is. Nu het uiteindelijke artikel 5, derde lid, van de richtlijn van het voorgestelde artikel 7, tweede lid, slechts in zoverre verschilt dat wordt gesproken van 'passende gevallen' en dat daarin de afwijking van de hoofdregel als een facultatieve bepaling ('kan') is geformuleerd, kan uit deze toelichting ook voor de uitleg van artikel 5, derde lid, van de richtlijn worden afgeleid dat de indiening van het verzoek buiten de lidstaat de hoofdregel vormt (zie naar analogie het arrest van het Hof van 21 april 2005, C-267/03, Lindberg, punt 61 e.v.; www.curia.europa.eu). De rechtbank heeft aldus met juistheid overwogen dat ook in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5, derde lid, van de richtlijn geen aanknopingspunten zijn te vinden voor een uitleg zoals de vreemdeling die voorstaat.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de nationale regelgeving, zoals weergegeven onder 2.1., voldoende ruimte biedt om een individuele afweging te maken of sprake is van dusdanige omstandigheden dat in een concreet geval, ondanks het niet voldoen aan het mvv-vereiste, een beoordeling of de desbetreffende vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten dient plaats te vinden. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat aldus afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn of het nuttig effect ervan.

Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punt 16, (www.curia.europa.eu) geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost.

3. Hetgeen voor het overige in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2013

638.