Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201110416/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/515

Uitspraak

201110416/1/A4.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Barneveld,

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A van Diermen, en het college, vertegenwoordigd door S. van der Hoek, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de vergunningaanvraag voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Algemeen toetsingskader Wet milieubeheer

2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit het tweede en derde lid volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Bestreden besluit

3. Bij besluit van 23 november 2005 is voor de inrichting een revisievergunning verleend voor het houden van 54.500 ouderdieren van vleeskuikens in een bedrijfsvoering met een ammoniakemissie van 13.625 kg per jaar.

Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend voor het houden van 76.500 ouderdieren van vleeskuikens in opfok in een bedrijfsvoering met een ammoniakemissie van 14.000 kg per jaar.

Ammoniak

4. [appellant] vreest voor ernstige gezondheidschade als gevolg van de toename van de ammoniakemissie.

4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

4.2. De Wet ammoniak en veehouderij voorziet niet in de mogelijkheid de vergunning te weigeren wegens gezondheidsrisico's vanwege de ammoniakemissie.

De beroepsgrond faalt.

5. [appellant] betoogt dat toepassing van de door het college gehanteerde Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij van 25 juni 2007 (hierna: de Beleidslijn) in strijd is met nationaal recht, Europees recht en ongeschreven recht, voor zover in de Beleidslijn rekening wordt gehouden met veehouderijen die, zoals in dit geval, in de vergunde situatie veel ammoniak emitteren.

5.1. Ingevolge artikel, 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een vergunning voor een gpbv-installatie - zoals hier aan de orde - in afwijking van het eerste lid eveneens geweigerd, indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de technische kenmerken en de geografische ligging van de installatie of vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden aan de milieuvergunning moeten worden verbonden, maar die niet met toepassing van de in aanmerking komende beste beschikbare technieken kunnen worden gerealiseerd.

5.2. Het college heeft voor het toepassen van de omgevingstoets zoals neergelegd in artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij aansluiting gezocht bij de Beleidslijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is er geen aanleiding voor het oordeel dat toepassing van de Beleidslijn in strijd is met het richtlijnconform geïnterpreteerde artikel 3, derde lid, van de Wet ammoniak en veehouderij. Het niet met concrete argumenten onderbouwde betoog van [appellant] geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, noch voor het oordeel dat de Beleidslijn om een andere reden buiten toepassing moet blijven.

De beroepsgrond faalt.

6. Voor zover [appellant] aanvoert dat het college op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de Beleidslijn, dat wat de emissie van ammoniak betreft niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, dat in de aanvraag ten onrechte geen alternatieve stalsystemen staan beschreven en dat ten onrechte geen grenswaarden voor ammoniakemissie zijn gesteld, heeft het college hierop gereageerd naar aanleiding van de daarover ingebrachte zienswijzen. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

Geluid - toereikendheid

7. [appellant] voert aan dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten onrechte hoger zijn dan de feitelijke geluidbelasting die volgens het geluidrapport vanwege de inrichting optreedt. Dit is volgens hem in strijd met het zogenoemde alara-beginsel dat in artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer is neergelegd. Gelet op dit beginsel hadden ook afzonderlijke grenswaarden per woning moeten worden gesteld, aldus [appellant].

7.1. Het college heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. In hoofdstuk 4 van de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond-, en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen.

Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft is het college uitgegaan van het door G&O Consult BV opgestelde geluidrapport van 22 juli 2011 (hierna: het geluidrapport).

7.2. Ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder heeft het college onder meer voorschrift 5.1.1 aan de vergunning verbonden. Ingevolge voorschrift 5.1.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode.

7.3. De in voorschrift 5.1.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau komen overeen met de richtwaarden voor een landelijke omgeving uit de Handreiking, de laagste waarden die op grond van de Handreiking worden aanbevolen. In dat geval kan het bevoegd gezag, ook in de situatie dat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichtingen bij de woningen van derden lager is, zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gestelde grenswaarden toereikend zijn ter voorkoming, dan wel voldoende beperking, van geluidhinder.

De beroepsgrond faalt.

Geluid - rechtszekerheid

8. [appellant] voert aan dat onduidelijk is welke passages in het geluidrapport bindende verplichtingen voor de vergunninghouder bevatten en dus handhaafbaar zijn. Gelet hierop had een voorschrift aan de vergunning verbonden moeten worden waarin dit expliciet wordt bepaald, aldus [appellant].

8.1. Ingevolge het dictum van het bestreden besluit maakt het gewaarmerkte geluidrapport van 22 juli 2011 deel uit van de verleende vergunning. De vergunninghouder dient zich te houden aan die gegevens uit het rapport die zich daar naar hun aard voor lenen. Dat betreft in dit geval het verrichten van activiteiten zoals omschreven onder de kopjes Representatieve bedrijfssituatie, Regelmatige bedrijfssituatie en Incidentele bedrijfssituatie. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een voorschrift zoals door [appellant] gewenst niet noodzakelijk is.

De beroepsgrond faalt.

9. [appellant] voert aan dat vergunningvoorschrift 7.6.4 onvoldoende verzekert dat de ventilatoren zullen functioneren zoals in het geluidrapport is vermeld, omdat niet duidelijk is wat onder "goede werking" moet worden verstaan.

9.1. Vergunningvoorschrift 7.6.4 bepaalt dat een stalsysteem en de daarbij behorende onderdelen zodanig moeten zijn gedimensioneerd, geïnstalleerd en worden onderhouden, dat altijd de goede werking is gewaarborgd. Het college vermeldt in het verweerschrift dat dit voorschrift geen betrekking heeft op de ventilatoren, maar op de ammoniakemissie uit de dierenverblijven. Ter zitting heeft het college dit nader toegelicht en [appellant] heeft deze toelichting niet betwist. Nu vergunningvoorschrift 7.6.4 niet ziet op de ventilatoren, treft hetgeen [appellant] over dit voorschrift aanvoert reeds daarom geen doel.

Geluid - naleefbaarheid

10. [appellant] voert aan dat het akoestisch onderzoek berust op een aantal onjuiste uitgangspunten, zodat de gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.

11. [appellant] voert aan dat de ventilatoren op zonnige dagen en aan het einde van de opfokcyclus mogelijk op een hoger toerental draaien dan in het geluidrapport is vermeld.

11.1. Het geluidrapport vermeldt dat in het onderzoek als uitgangspunt is genomen dat de ventilatoren in de dagperiode op 90% van het vermogen draaien, in de avondperiode op 75% en in de nachtperiode op 60%. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit uitgangspunt onjuist is.

12. [appellant] voert aan dat de ventilatoren een onaanvaardbare geluidhinder veroorzaken en dat de geluidbelasting van die ventilatoren ten onrechte niet is gemeten.

12.1. Het geluidrapport vermeldt dat de in het onderzoek gehanteerde bronvermogens afkomstig zijn uit het meetarchief van G&O Consult B.V. dan wel uit literatuurgegevens. Niet aannemelijk is gemaakt dat de gegevens uit het archief dan wel de gehanteerde literatuurgegevens niet representatief zijn ten aanzien van de bronvermogens voor de in de inrichting gebruikte ventilatoren.

13. [appellant] voert aan dat bij de berekening van de geluidbelasting ten onrechte geen toeslag voor tonaal geluid vanwege de ventilatoren is toegepast. Volgens hem heeft het college onvoldoende onderzocht of ter plaatse van zijn woning een tonaal geluid hoorbaar is.

13.1. Het college stelt dat de bij het bestreden besluit vergunde uitbreiding van een stal nog niet was gerealiseerd, zodat een beoordeling van het tonale karakter van het geluid vanwege de inrichting als geheel nog niet mogelijk was. Het college stelt zich evenwel op het standpunt dat, gelet op hetgeen in paragraaf 5.1 van het geluidrapport is vermeld, met voldoende zekerheid vaststaat dat de ventilatoren in de inrichting geen tonaal geluid produceren. Paragraaf 5.1 van het geluidrapport vermeldt dat niet wordt verwacht dat de ventilatoren enig tonaal geluid produceren. Hiertoe vermeldt het geluidrapport dat de ventilatoren overgedimensioneerd zijn, zodat zij niet op volle kracht hoeven te draaien. Voorts vermeldt het geluidrapport dat diverse fabrikanten te kennen hebben gegeven dat de ventilatoren zodanig worden ontworpen dat zij geen tonaal geluid veroorzaken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aannames van het geluidrapport onjuist zijn. Gelet hierop heeft het college zich op basis van het geluidrapport op het standpunt mogen stellen dat geen toeslag voor tonaal geluid behoefde te worden toegepast.

14. Gezien het voorgaande geeft het betoog van [appellant] geen aanleiding om aan de juistheid van het geluidrapport te twijfelen. Het college heeft op basis van dit rapport kunnen concluderen dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

De beroepsgronden falen.

Geluid - naleving

15. [appellant] voert aan dat de geluidsreducerende kasten van enkele ventilatoren niet juist zijn geïnstalleerd.

Voor zover de geluidreducerende kasten van enkele ventilatoren niet juist zouden zijn geïnstalleerd, en voor zover [appellant] vreest dat de ventilatoren ook overigens niet overeenkomstig het geluidrapport in werking zullen zijn, betreft dit een kwestie van handhaving waarop deze procedure geen betrekking heeft.

De beroepsgrond faalt.

Milieueffectrapport

16. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld.

Het college heeft hierop gereageerd naar aanleiding van de daarover ingebrachte zienswijzen. [appellant] heeft niet gemotiveerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Aal

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

584.