Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201206281/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruurlo, Bedrijventerreinen 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201206281/1/R2.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Ruurlo, gemeente Berkelland,

2. [appellant sub 2], wonend te Ruurlo, gemeente Berkelland,

en

de raad van de gemeente Berkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Ruurlo, Bedrijventerreinen 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.M.H. van Kuijk, en de raad, vertegenwoordigd door J.P.M. Franck en M. Daalwijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Verder is ter zitting als partij gehoord [belanghebbende].

Overwegingen

Intrekking

1. Ter zitting heeft [appellant sub 2] de beroepsgrond betreffende de toegekende woonbestemming aan het perceel [locatie a] te Ruurlo, ingetrokken.

Het plan

1.1. Met het plan wordt beoogd een aantal verouderde bestemmingsplannen in Ruurlo te actualiseren. Het plan is overwegend conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat ziet op het perceel [locatie b] te Ruurlo, waar hij een aannemersbedrijf exploiteert. Hij betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid een bedrijfswoning te realiseren op een deel van het perceel [locatie b], terwijl dit op grond van het vorige bestemmingsplan "Venterkamp" wel mogelijk was. Daarnaast voorziet het plan ten onrechte niet in een woonbestemming voor de gronden van het perceel [locatie b] die thans in gebruik zijn als weide. [appellant sub 1] stelt dat hij hierdoor onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Hij voert verder aan dat hij al jaren in overleg is met de gemeente over de bouw van (senioren)woningen op dit deel van zijn perceel.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het uit een oogpunt van volkshuisvesting nodig is voor de gemeente om te snijden in de bouwcapaciteit voor woningen. Mede in verband met de demografische ontwikkelingen zijn de mogelijkheden voor het bouwen van nieuwe woningen beperkt. Op grond daarvan dienen bestaande woningbouwmogelijkheden en concrete woningbouwplannen te worden geschrapt. De raad verwijst in dit verband naar de ‘Regionale woonvisie Achterhoek 2010-2020’ die op 18 oktober 2010 is opgesteld door zeven gemeenten en zes woningcorporaties uit de Achterhoek en de provincie Gelderland en waarmee de raad op 25 januari 2011 heeft ingestemd (hierna: de woonvisie). Verder verwijst de raad naar het besluit van 28 juni 2011 waarbij hij besloten heeft de latente capaciteit voor woningbouw ongedaan te maken.

2.2. Ingevolge de woonvisie moet het aantal woningbouwplannen in de gemeente Berkelland in verband met de krimpproblematiek in de periode van 2010 tot 2020 naar beneden worden bijgesteld van ongeveer 2000 naar 635. In de woonvisie is als maatregel opgenomen dat iedere gemeente ervoor zorgt dat de plancapaciteit en planningslijsten in verband met de afnemende bevolkingsgroei en demografische ontwikkelingen worden verminderd tot een omvang die past bij de gewenste uitbreiding. De eerste en belangrijkste actie die daarbij wordt genoemd is het aanbod van nieuwbouwwoningen aan te laten sluiten op de marktvraag, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dit betekent dat de plancapaciteit fors naar beneden wordt bijgesteld.

Uit de ‘Voortgangsrapportage woningbouwplannen’ die de raad bij besluit van 28 juni 2011 heeft vastgesteld volgt dat er een forse inspanning nodig is om het aantal zachte en harde woningbouwplannen en vergunningen terug te brengen. De raad wil dit bereiken door in te zetten op het ongedaan maken van latente plancapaciteit voor woningbouw. De forse daling van het aantal nog te bouwen woningen vraagt om een zeer secure afweging op kwaliteit en plaats voor de woningen die nog wel gebouwd worden. Bij deze afweging wordt onder andere rekening gehouden met aspecten van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en maatschappelijke factoren.

2.3. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gewenste bedrijfswoning overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dit betekent evenwel niet dat aan de omstandigheid dat het perceel onder het voorheen geldende plan bestemd was als "Industriële doeleinden", bij welke bestemming ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften ter plaatse een dienstwoning was toegestaan, in de afweging van de belangen bij het vaststellen van het voorliggende plan geen betekenis toekomt. De raad dient bij de vaststelling van het plan te motiveren waarom op grond van gewijzigde planologische inzichten aan het perceel, anders dan in het voorheen geldend plan, geen bestemming is toegekend die de bouw van een bedrijfswoning mogelijk maakt en waarom het belang van [appellant sub 1] bij handhaving van de voorheen geldende bestemming ondergeschikt moet worden geacht aan de ruimtelijke belangen die zich tegen de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse verzetten.

De Afdeling is van oordeel dat in het onderhavige geval van een dergelijke motivering sprake is, nu de raad gelet op de krimpproblematiek in de gemeente beleid heeft opgesteld om latente woningbouwcapaciteit ongedaan te maken. Niet valt in te zien dat de raad in dit geval aanleiding had moeten zien om af te wijken van dit beleid. In dat verband heeft de raad terecht gesteld dat van de mogelijkheid op het perceel een bedrijfswoning te realiseren gedurende de planperiode van het voorheen geldende plan geen gebruik is gemaakt en dat voorts niet is gebleken van zodanig concrete plannen dat [appellant sub 1] gedurende deze periode over is gegaan tot het aanvragen van een omgevingsvergunning voor bouwen. Het betoog faalt.

2.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gewenste woonbestemming voor de op zijn perceel gelegen weide, heeft de raad erkend dat met [appellant sub 1] in het verleden gesprekken zijn gevoerd over het realiseren van seniorenwoningen aldaar, maar tevens gesteld dat deze gesprekken plaatsvonden voordat de krimpproblematiek zich aandiende en dat gelet op de gewijzigde beleidsinzichten van de raad niet langer sprake kan zijn van woningbouw op dit deel van het perceel van [appellant sub 1]. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Gelet hierop heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om aan een deel van het perceel van [appellant sub 1] een woonbestemming toe te kennen. Het betoog faalt.

2.5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

[locatie c]

3. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat ziet op het perceel [locatie c] te Ruurlo. Hij betoogt dat aan dit perceel ten onrechte deels een bedrijfsbestemming is toegekend, terwijl zich op het perceel een burgerwoning bevindt. Hij vreest voor overlast en voor uitbreiding van de bedrijfsmatige activiteiten die bestaan uit het restaureren van klassieke Fiats 500 en stelt dat in zoverre sprake is van een onzorgvuldige belangenafweging. Verder stelt hij dat het plan geen garantie bevat dat het te realiseren bedrijfsgebouw wat betreft stijl zal aansluiten bij de reeds aanwezige burgerwoning op het perceel.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een bedrijfsbestemming op het perceel [locatie c] passend is gelet op de huidige activiteiten van de eigenaar van dit perceel. Verder komt de bestemming overeen met de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" die is toegekend aan de percelen zuidelijk gelegen van de Groenloseweg.

3.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie c] voor een deel de bestemming "Wonen (W)" toegekend en voor een deel de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2 (b?2)".

De plantoelichting vermeldt dat op grond van de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) de aanbevolen richtafstand voor een categorie 2-bedrijf 30 meter bedraagt. Verder volgt uit de plantoelichting dat er in dit plan voor is gekozen het plangebied grotendeels als ‘gemengd gebied’ aan te merken, waardoor de eerder genoemde aan te houden afstand met één stap kan worden verlaagd en de aanbevolen afstand daardoor 10 meter bedraagt. Ter zitting heeft de raad gesteld dat het perceel [locatie c] tot dit ‘gemengd gebied’ behoort.

De VNG-brochure heeft een indicatief en globaal karakter en dient gemotiveerd te worden toegepast. De afstand tussen de grens van het perceel met de bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de gevels van de woningen op de omliggende percelen - waaronder de bedrijfswoning van [appellant sub 2] op het perceel [locatie d] - bedraagt ten minste 30 meter. Niet in geschil is dat ten aanzien van deze woningen kan worden voldaan aan de richtafstand zoals die volgt uit de VNG-brochure. Gelet hierop, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde overlast van zodanige aard is dat de raad deze met het oog op het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn bedrijfswoning en de overige woningen in de directe omgeving van het perceel niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

De afstand tussen de grens van het perceel met de bedrijfsbestemming en de uiterste situering van de gevel van de woning op het perceel [locatie c] bedraagt ongeveer 7 meter. De raad is ten aanzien van deze woning dan ook afgeweken van de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 10 meter. De raad heeft ter zitting gesteld dat hij deze afwijking van de richtafstand aanvaardbaar acht, gelet op de geringe mate van afwijking en het feit dat het bedrijf wordt geëxploiteerd door de bewoner van de woning op het desbetreffende perceel. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich hiermee in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aangehouden afstand voldoende is om ter plaatse van de woning op het perceel [locatie c] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren.

Verder heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" met de functieaanduiding ‘bedrijf tot met categorie 2 (b?2)’ aan een deel van het perceel [locatie c] kunnen toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat ter plaatse al langer hobbymatige activiteiten plaatsvinden en dat gelet op de uitbreiding hiervan in overleg met de eigenaar is bepaald dat een bedrijfsbestemming voor het perceel meer passend is. Bovendien zijn met deze bestemming de activiteiten beperkt tot een maximale oppervlakte van 150 m2. Voorts heeft de raad in redelijkheid kunnen stellen dat deze bestemming, gelet op de ligging van het perceel op een bedrijventerrein, passend is in de omgeving.

Voor zover [appellant sub 2] vreest dat een nieuw te realiseren bedrijfsgebouw wat betreft stijl zou afwijken van de reeds aanwezige bebouwing in de directe omgeving, overweegt de Afdeling dat deze vraag een aspect van welstand betreft, welke derhalve eerst aan de orde kan komen in de procedure inzake de omgevingsvergunning voor het bouwen en niet in de onderhavige bestemmingsplanprocedure.

Het betoog faalt.

[locatie e]

3.3. Voorts richt [appellant sub 2] zich tegen het plan voor zover dat ziet op het perceel [locatie e] te Ruurlo. Hij voert hiertoe aan dat op dit perceel ten onrechte beperkte detailhandel niet langer is toegestaan. [appellant sub 2] vreest daardoor dat het op het perceel niet langer mogelijk is auto-onderdelen te verkopen en vreest in zoverre voor de toekomst van de bedrijfsvoering aldaar. Verder voert [appellant sub 2] aan dat het niet langer mogelijk is een bedrijfswoning te realiseren op dit perceel.

3.4. De raad stelt dat de gebruiksmogelijkheden voor het perceel [locatie e] zijn overgenomen uit het vorige bestemmingsplan "Venterkamp", inclusief de mogelijkheden voor beperkte en ondergeschikte detailhandel.

3.5. Op het perceel [locatie e] wordt thans een autosloperij geëxploiteerd. Uit artikel 3, lid 3.1, sub k, van de planregels volgt dat ter plaatse van de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" zoals die is toegekend aan het perceel [locatie e], volumineuze (grootschalige) detailhandel is toegestaan. Uit artikel 1, lid 1.135, volgt verder dat hieronder wordt verstaan detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, in de vorm van de verkoop van auto’s, boten, caravans, landbouwwerktuigen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair en naar de aard daarmee gelijk te stellen artikelen. De raad heeft ter zitting gesteld dat gelet op de toegekende bestemming ter plaatse ook de verkoop van onderdelen is toegestaan, zolang die auto-gerelateerd is. Dit acht de Afdeling mede gelet op de bewoordingen ‘en naar de aard daarmee gelijk te stellen artikelen’ in artikel 1, lid 1.135, van de planregels niet onjuist. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor de vrees van [appellant sub 2] dat de bestaande verkoopactiviteiten die zien op auto-onderdelen op het perceel vanwege het plan niet langer kunnen worden voortgezet.

3.6. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gewenste bedrijfswoning op het perceel [locatie e], overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dit betekent evenwel niet dat aan de omstandigheid dat op het perceel onder het voorheen geldende plan de bestemming "Industriële doeleinden" rustte, bij welke bestemming ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften van dat plan ter plaatse een dienstwoning was toegestaan, in de afweging van de belangen bij het vaststellen van het voorliggende plan geen betekenis toekomt. De raad dient bij de vaststelling van het plan te motiveren waarom op grond van gewijzigde planologische inzichten aan het perceel, anders dan in het voorheen geldend plan, geen bestemming is toegekend die de bouw van een bedrijfswoning mogelijk maakt en waarom het belang van [appellant sub 2] bij handhaving van de voorheen geldende bestemming ondergeschikt moet worden geacht aan de ruimtelijke belangen die met het plan worden gediend.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht gesteld dat van de mogelijkheid op het perceel een dienstwoning te realiseren gedurende de planperiode van het voorheen geldend plan geen gebruik is gemaakt en dat voorts niet is gebleken van zodanig concrete plannen voor het perceel dat [appellant sub 2] gedurende deze periode over is gegaan tot het aanvragen van een omgevingsvergunning voor bouwen. Voorts is van belang dat de raad gelet op de krimpproblematiek in de gemeente beleid heeft opgesteld om latente woningbouwcapaciteit ongedaan te maken. Niet valt in te zien dat de raad in dit geval aanleiding had moeten zien om af te wijken van dit beleid. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat uit een oogpunt van bedrijfsvoering de noodzaak bestaat tot het realiseren van een bedrijfswoning op het perceel. Het betoog faalt.

[locatie d]

3.7. Verder richt [appellant sub 2] zich tegen de planregeling voor zijn perceel aan de [locatie d] te Ruurlo, nu aan dit perceel geen woonbestemming is toegekend. Hij wijst in dit verband op de toegekende woonbestemming aan het perceel [locatie a] en doet in zoverre een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3.8. De raad stelt dat het perceel [locatie d] een bedrijf met een bedrijfswoning betreft, zodat daaraan de bestemming "Bedrijventerrein (BT)" is toegekend.

3.9. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de bij het perceel [locatie a] aan de orde zijnde situatie omdat op dat perceel geen bedrijf met bijbehorende bedrijfswoning is gevestigd, terwijl dit op het perceel aan de [locatie d] wel het geval is. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met zijn situatie. Het betoog faalt.

3.10. Voor zover [appellant sub 2] in het beroepschrift verzoekt de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

3.11. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

12-704.