Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7663

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207413/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:2084, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft het college besloten tot invordering van de door Scheepswerf Made verbeurde dwangsom ter hoogte van € 10.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/146
JG 2013/37 met annotatie van J.J. Thoonen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207413/1/A1.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Scheepswerf Made B.V., gevestigd te Made, gemeente Drimmelen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2012 in zaak nr. 12/340 in het geding tussen:

Scheepswerf Made

en

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2011 heeft het college besloten tot invordering van de door Scheepswerf Made verbeurde dwangsom ter hoogte van € 10.000,00.

Bij besluit van 12 december 2011 heeft het college het door Scheepswerf Made daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de rechtbank het door Scheepswerf Made daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Scheepswerf Made hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2013, waar Scheepswerf Made, vertegenwoordigd door [technisch directeur], bijgestaan door mr. F. Wubbena, advocaat te Oosterhout Nb, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Kranenburg en ing. P.A.A. van den Beemt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, omtrent de invordering van een dwangsom.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

2. Tijdens een controle op 14 februari 2011 is door een toezichthouder van de gemeente Moerdijk geconstateerd dat op het perceel Appelweg 9 te Moerdijk bouwwerkzaamheden werden uitgevoerd zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning was verleend. De bouwwerkzaamheden betroffen het plaatsen en bouwen van een torenkraan om schepen in en uit het water te plaatsen. De bouwwerkzaamheden vonden plaats op een afstand van minder dan 5 meter vanaf de perceelsgrens. Op 14 februari 2011 is Scheepswerf Made een bouwstop opgelegd. Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college de stillegging van de bouwwerkzaamheden bekrachtigd en Scheepswerf Made een last onder dwangsom opgelegd. In het besluit is vermeld dat Scheepswerf Made een dwangsom van € 10.000,00 verbeurt, indien wordt geconstateerd dat de stilgelegde bouwwerkzaamheden aan de torenkraan worden hervat.

Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft het college aan Scheepswerf Made een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een torenkraan op een andere locatie op het perceel, op een afstand van meer dan 5 m vanaf de perceelsgrens.

3. Scheepswerf Made betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot invordering berust op een ondeugdelijke motivering. Hiertoe voert zij aan dat de opgelegde last uitsluitend ziet op het verrichten van bouwwerkzaamheden zonder te beschikken over een omgevingsvergunning en dat het invorderingsbesluit een ruimere strekking heeft nu hierin ook het bouwen in strijd met het bestemmingsplan als overtreding van de last wordt aangemerkt.

3.1. Het college heeft aan het besluit tot invordering ten grondslag gelegd dat uit controles op 9 juni 2011 is gebleken dat niet aan de last werd voldaan, omdat de bouwwerkzaamheden aan de torenkraan op de oorspronkelijke locatie op het perceel op minder dan 5 meter van de perceelsgrens zijn hervat zonder dat daarvoor over een omgevingsvergunning wordt beschikt. Nu het besluit van 2 augustus 2011 noch het besluit op bezwaar van 12 december 2011 vermeldt dat dat door het bouwen in strijd met het bestemmingsplan de opgelegde last is overtreden, faalt het betoog.

4. Scheepswerf Made betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de handelswijze van het college onzorgvuldig en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is. Hiertoe voert Scheepswerf Made aan dat zij ten tijde van het invorderingsbesluit inmiddels beschikte over een omgevingsvergunning en dat het college derhalve in het invorderingsbesluit had moeten vermelden waarom Scheepswerf Made de opgelegde last desondanks heeft overtreden.

4.1. Ook dit betoog faalt. Niet in geschil is dat Scheepswerf Made verder heeft gebouwd aan de torenkraan op de locatie waar zij oorspronkelijk was begonnen aan de bouw daarvan, die door het college is stilgelegd. Nu de aan Scheepswerf Made verleende omgevingsvergunning van 3 mei 2011 betrekking heeft op een andere locatie op het perceel, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat Scheepswerf Made heeft gebouwd zonder te beschikken over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een torenkraan op de desbetreffende locatie binnen 5 m vanaf de perceelsgrens. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat in het besluit tot invordering onvoldoende duidelijk is gemaakt in verband met welke overtreding van Scheepswerf Made tot invordering wordt overgegaan.

In de stelling van Scheepswerf Made dat zij niet zonder, maar in afwijking van een omgevingsvergunning heeft gehandeld, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor vernietiging van het besluit. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat de Wabo geen afzonderlijk verbod kent van handelen in afwijking van de omgevingsvergunning en dat het verbod om zonder vergunning een project uit te voeren dat uit de aangegeven activiteiten bestaat, het handelen in afwijking van de vergunning omvat. Voor zover het immers gaat om activiteiten die zonder vergunning niet mogen worden verricht, is ieder handelen waarvoor de vergunning niet de vereiste toestemming inhoudt, handelen zonder vergunning (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 93).

5. Scheepswerf Made betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval sprake was van bijzondere omstandigheden, waarin het college aanleiding had moeten zien om van invordering af te zien. Hiertoe voert Scheepswerf Made aan dat zij ten tijde van de bouw op 9 juni 2011 het naastgelegen perceel had gehuurd, zodat het vasthouden aan de afstandseis uit het bestemmingsplan naar haar mening geen doel meer diende. Scheepswerf Made wijst er op dat het college heeft verzuimd tijdig te reageren op haar verzoek om de torenkraan alsnog op de oorspronkelijke locatie te mogen plaatsen, en dat langer wachten tot aanzienlijke vertragingsschade zou leiden. Voorts voert Scheepswerf Made aan dat de torenkraan inmiddels overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning is opgericht.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201205967/1/A1), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

De rechtbank heeft de omstandigheid dat Scheepswerf Made het naastgelegen perceel inmiddels huurde en het college niet voortvarend zou hebben gereageerd op haar verzoek naar aanleiding van deze gewijzigde situatie, terecht niet als bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld aangemerkt. De rechtbank heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat de gewijzigde omstandigheden onverlet laten dat de bouwwerkzaamheden op de oorspronkelijke locatie zijn hervat zonder dat Scheepswerf Made over een omgevingsvergunning beschikte en dat niet is gebleken dat van Scheepswerf Made niet gevergd kon worden besluitvorming van het college dienaangaande af te wachten. Dat alsnog aan de last is voldaan, heeft de rechtbank eveneens terecht niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt, op grond waarvan het college diende af te zien van invordering.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

604.