Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201210552/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Oevers Roode Vaart Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201210552/1/R3.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Moerdijk,

en

de raad van de gemeente Moerdijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Oevers Roode Vaart Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2013, waar [appellant], bij monde van [gemachtigde], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol en de raad, vertegenwoordigd door A.P.M. de Jong en A.A. van Dongen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de bouw van maximaal 13 woningen op de percelen op de oevers van de Roode Vaart in de nabijheid van de Huizersdijk.

2. [appellant] heeft een gemengd agrarisch bedrijf aan de [locatie a] in [plaats]. Hij betoogt dat de raad het zuidwestelijk gelegen plandeel met de bestemming "Wonen" dat de bouw van maximaal twee woningen mogelijk maakt, ten onrechte heeft vastgesteld, omdat de dichtbij zijn bedrijf voorziene woningen nadelig en onacceptabel zijn voor zijn bedrijfsvoering. Bij de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf dient rekening te worden gehouden met verschillende aspecten, zoals geur en geluid, die het woon- en leefklimaat bij de woningen kunnen aantasten. Ook dient rekening te worden gehouden met veiligheidsaspecten en met de spuitzone van het bedrijf. Voorts voert [appellant] aan dat er geen behoefte is aan de bouw van de woningen op de voorziene locatie. Er is volgens hem een overschot aan bouwgrond en huizen staan lang te koop in de gemeente Zevenbergen.

3. De raad heeft voor het bepalen van de aan te houden afstanden van het agrarisch bedrijf tot de nieuwe woningen de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) toegepast. De raad brengt verder naar voren dat er in de bestaande situatie een woning op 37 meter ten oosten van het agrarisch bedrijf staat en dat dit reeds de beperkende factor is.

4. De raad heeft op 28 juni 2007 het "Beleidsplan Wonen 2007-2011, Een (t)huis voor iedereen" (hierna: Beleidsplan) vastgesteld. Het woningbehoefteonderzoek uit 2006 heeft onder meer als basis gediend voor het Beleidsplan. Volgens dit Beleidsplan en conform de geactualiseerde bevolkings- en woningbehoefteprognose van Noord-Brabant uit 2008 mag de gemeente Moerdijk voor de periode tot 2020 877 woningen bouwen. Daarnaast mag de gemeente Moerdijk nog 1075 woningen bouwen bovenop het reguliere woningbouwprogramma. De Afdeling neemt hierbij voorts in aanmerking dat de zuid- en oostrand van Zevenbergen op de Structurenkaart bij de Structuurvisie ruimtelijke ordening Noord-Brabant (vastgesteld op 1 oktober 2010) zijn aangeduid als ‘zoekgebied verstedelijking’. Gelet op het voorgaande zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat er geen behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Met slechts een enkele verwijzing naar een krantenartikel, waaruit volgens [appellant] volgt dat in de gemeente Zevenbergen voor vele jaren bouwgrond is en waaruit zou blijken dat de verkoop van huizen niet goed loopt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat er binnen de planperiode geen behoefte is aan de voorziene woningen. Het betoog faalt.

5. Het zuidwestelijke deel van het plangebied is bestemd voor wonen en maakt de bouw van maximaal twee vrijstaande woningen mogelijk. De Afdeling stelt vast dat op een afstand van ongeveer 37 meter van de agrarische bebouwing op het perceel van [appellant] een bestaande woning staat aan de [locatie b], terwijl de grens van het plandeel waar de twee woningen mogelijk worden gemaakt, ligt op een afstand van ongeveer 40 meter. De bedrijfsvoering van [appellant] wordt in noordoostelijke richting reeds beperkt door deze op een kortere afstand staande bestaande woning. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de bouw van de beoogde woningen niet leidt tot een extra beperking van de bedrijfsvoering.

Voor het oordeel dat de agrarische bedrijfsvoering niet beperkt wordt door de twee voorziene woningen is niet van belang of deze woningen binnen of buiten de bebouwde kom staan, reeds omdat de bestaande woning de beperkende factor is en op het bedrijf niet de Wgv, maar het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm) van toepassing is. Ten overvloede wijst de Afdeling er wel op dat de twee voorziene vrijstaande woningen niet op een zo korte afstand van elkaar en andere bebouwing komen te staan dat er sprake is van een concentratie van woningen binnen een samenhangende structuur waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. Gelet hierop en op de aard van de omgeving dienen de desbetreffende woningen te worden aangemerkt als woningen buiten de bebouwde kom. Het door [appellant] ter zitting naar voren gebrachte feit dat het verkeersbord met de ter plaatse toegestane snelheid is verplaatst zodat de twee woningen binnen de bebouwde kom komen te staan, is niet relevant, omdat de grens van de bebouwde kom niet wordt bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar door de aard van de omgeving. Het betoog faalt.

6. Over het door [appellant] aangevoerde dat het vanwege de mogelijke geuroverlast bij de woningen ongewenst is om twee woningen op korte afstand van zijn bedrijf toe te staan, wordt als volgt overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het Blm op het bedrijf van toepassing was. Dit wordt bevestigd in de notitie van 23 april 2012 die door de Regionale Milieu Dienst (hierna: RMD) is opgesteld. Tussen het bouwvlak voor de agrarische bebouwing op het perceel van [appellant] en het plandeel dat de bouw van maximaal twee woningen mogelijk maakt is de afstand ongeveer 40 meter en tussen het agrarisch perceel van [appellant] en het plandeel dat de bouw van maximaal twee woningen mogelijk maakt is de afstand ongeveer 30 meter.

Indien tussen een inrichting die onder de werkingssfeer van het Blm valt en een burgerwoning de in het Blm genoemde afstand wordt aangehouden, mag in beginsel worden aangenomen dat bij die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Indien de in het Blm genoemde afstand niet wordt aangehouden, mag niet zonder meer worden aangenomen dat daar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In een dergelijk geval dient door de raad te worden gemotiveerd waarom ter plaatse niettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2011 in zaak nr. 200904136/1/R3). Het plandeel voor de woningen ligt dichterbij de veehouderij van [appellant] dan de in het Blm genoemde afstand van 50 meter. Een motivering waarom bij de twee woningen ondanks de geurhinder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, ontbreekt in de stukken en ook ter zitting kon geen nadere motivering worden gegeven. De Afdeling merkt hierbij op dat de notitie van het RMD enkel ingaat op de gevolgen van de woningen voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellant], maar niet ingaat op het woon- en leefklimaat bij de woningen. Het betoog slaagt.

7. Over het door [appellant] aangevoerde dat het vanwege de mogelijke geluidshinder, gevaar en de spuitzone van zijn agrarische bedrijf ongewenst is om twee woningen op korte afstand hiervan toe te staan, wordt als volgt overwogen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient door de raad te worden gemotiveerd waarom ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Op geen enkele manier is uit de stukken gebleken dat de raad aandacht heeft besteed aan de veiligheid, de mogelijke geluidshinder en de spuitzone van het agrarische bedrijf ter plaatse van de voorziene woningen. Ook ter zitting kon geen nadere motivering door de raad worden gegeven. Het betoog slaagt.

8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het zuidwestelijk gelegen plandeel met de bestemming "Wonen" dat de bouw van maximaal twee woningen mogelijk maakt dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

9. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

10. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Moerdijk van 6 september 2012, waarbij het bestemmingsplan "Oevers Roode Vaart Zuid" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" waar maximaal twee woningen mogelijk worden gemaakt;

III. draagt de raad van de gemeente Moerdijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Moerdijk tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Moerdijk aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

350-774.