Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7649

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207253/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2007, Administratieve correcties 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207253/1/R2.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Oldebroek, en anderen,

en

de raad van de gemeente Oldebroek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2007, Administratieve correcties 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[derde-belanghebbende], en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2013, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en de raad van de gemeente Oldebroek, vertegenwoordigd door G. Visscher, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. M. Bekooy, advocaat te Zwolle, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [derde-belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Voor zover de belanghebbendheid van [belanghebbende] en [appellante] bij het bestreden besluit is betwist, overweegt de Afdeling het volgende. Het beroep van [appellante] en anderen is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het plan, voor zover daarin door een wijziging van de plangrens het perceel aan de [locatie], te Oldebroek, buiten het plangebied is gelaten. Door deze wijziging komt de plangrens overeen met de grens van betreffend perceel. Gebleken is dat [belanghebbende] (mede-)eigenaar is van het perceel aan de [locatie] waar [appellante] een varkenshouderij exploiteert. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [belanghebbende] en [appellante] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt.

Voorts is gebleken noch aannemelijk gemaakt dat [appellante] en anderen geen belang hebben bij een beoordeling van het door hen ingestelde beroep. Daartoe overweegt de Afdeling dat, zoals hiervoor reeds aangegeven, de gewijzigde vaststelling van het plan het perceel aan de [locatie] betreft. Het belang van [appellante] en anderen bij een beoordeling van hun beroep tegen bedoelde wijziging staat dan ook vast. De enkele omstandigheid dat onlangs een ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd dat betrekking heeft op bedoeld perceel en dat evenals het voorliggende plan een herstel van een verschrijving in de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2007" bevat, maakt dit niet anders. Totdat dat plan onherroepelijk is, daargelaten dat nog niet vaststaat of dit zal gebeuren, is het bestemmingsplan "Buitengebied 2007" met daarin bedoelde verschrijving die volgens de raad ongewenst beperkende gevolgen heeft voor bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden, het toetsingskader voor het perceel aan de [locatie].

2. [appellante] en anderen stellen zich op het standpunt dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte de plangrens heeft gewijzigd, in die zin dat het perceel aan de [locatie] geen deel uitmaakt van het vastgestelde plan. Zij betogen daartoe dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. De belangen van [appellante] en anderen, die gelijk zijn aan de belangen van de bedrijven waarvan de plandelen wel in het plangebied zijn opgenomen, zijn onvoldoende meegewogen.

3. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad in beginsel beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellante] en anderen niet hebben gesteld noch aannemelijk gemaakt dat er tussen het perceel aan de [locatie] en de percelen in het plangebied een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat bedoeld perceel om die reden in het plan opgenomen had moeten worden. Hetgeen [appellante] en anderen stellen betreffende gelijke belangen, maakt niet dat van een dergelijke ruimtelijke samenhang sprake is.

Het betoog faalt.

4. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Vogel-Carprieaux

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

458.