Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201205344/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2011 heeft het dagelijks bestuur besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 20.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1844

Uitspraak

201205344/1/A1.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2012 in

zaak nr. 12/90 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2011 heeft het dagelijks bestuur besloten over te gaan tot invordering van een dwangsom van € 20.000,00.

Bij besluit van 29 november 2011 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarbij het bedrag, zoals dat is vermeld in het besluit van 7 april 2011, is verlaagd tot € 9975,00.

Bij uitspraak van 18 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. F. Bredschneyder en B. Vringer, werkzaam bij het stadsdeel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 24 november 2010 heeft het dagelijks bestuur [appellant] gelast om met ingang van 31 december 2010 de illegale bouwwerken, de tuinoverkapping en berging in de tuin, alsmede de bouw- en overige materialen in de tuin te verwijderen en verwijderd te houden.

Daarbij is [appellant] te kennen gegeven dat indien de overtredingen niet na 31 december 2010 zijn beëindigd, hij een dwangsom verbeurt van € 20.000,00. Op 2 februari 2011 heeft het dagelijks bestuur geconstateerd dat binnen de begunstigingstermijn geen gevolg is gegeven aan de opgelegde last en dat derhalve een dwangsom van € 20.000,00 is verbeurd. In het besluit op bezwaar tegen de invorderingsbeschikking van 29 november 2011 heeft het dagelijks bestuur het te innen bedrag gematigd tot € 9975,00.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van invordering moet worden afgezien. Daartoe voert hij aan dat hij de last onder dwangsom niet kan betalen. Voorts voert hij aan dat zowel de dwangsom als de matiging van de invordering daarvan onvoldoende zijn gemotiveerd en volkomen willekeurig zijn vastgesteld, omdat het college pas bij het matigen van de invordering heeft verwezen naar het document ‘toezicht en sanctiestrategie’. Ten slotte voert hij aan dat het besluit van 29 november 2011 niet is genomen naar aanleiding van een zorgvuldige belangenafweging, omdat het dagelijks bestuur het belang van naleving onvoldoende heeft afgewogen tegenover het effect van de maatregel jegens hem.

2.1. Vaststaat dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom in rechte onaantastbaar is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het effect van de last onder dwangsom, het belang van naleving en de gestelde willekeur bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom, gronden zijn die betrekking hebben op de rechtmatigheid van de last onder dwangsom. Anders dan [appellant] ter zitting bij de Afdeling heeft betoogd, zien ook het tijdsverloop en het herhaaldelijk contact met gemeenteambtenaren voorafgaand aan het opleggen van de last onder dwangsom op de bij besluit van 24 november 2010 opgelegde last onder dwangsom. Deze gronden kunnen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking niet meer aan de orde komen.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202290/1/A1) dient, bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en derhalve dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

2.3. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het dagelijks bestuur geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. De stelling van [appellant] dat hij het in te vorderen bedrag niet kan betalen, heeft hij niet onderbouwd. Reeds daarom kan dat geen bijzondere omstandigheid opleveren. [appellant] heeft geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het dagelijks bestuur van invordering had moeten afzien.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het dagelijks bestuur in het besluit van 29 november 2011 gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom en op welke wijze het in te vorderen bedrag is gematigd. Daarbij wordt overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het document ‘toezicht en sanctiestrategie’ niet bij die matiging zou mogen worden betrokken.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid tot invordering over mocht gaan.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

374-771.