Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201201337/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2011:BU9559, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het verzoek van [verzoeker] om openbaarmaking van het Memorandum of Understanding (hierna: het MoU) tussen de Nederlandse autoriteiten en de de facto autoriteiten van Somaliland afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/965
AB 2013/179 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201337/1/A3.

Datum uitspraak: 10 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 december 2011 in zaak nr. 11/136 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de minister van Immigratie en Asiel (thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het verzoek van [verzoeker] om openbaarmaking van het Memorandum of Understanding (hierna: het MoU) tussen de Nederlandse autoriteiten en de de facto autoriteiten van Somaliland afgewezen.

Bij besluit van 6 april 2010 heeft de minister van Justitie het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2011 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 april 2010 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 5 maart 2012 heeft [verzoeker] toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2013, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. P.J. Schuller, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob), voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en internationale organisaties en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Onder de staatssecretaris wordt mede verstaan zijn voorgangers.

4. De staatssecretaris heeft artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a en g, van de Wob aan de weigering van de gevraagde informatie ten grondslag gelegd. Daartoe heeft de staatssecretaris gemotiveerd dat het algemeen belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de grote nadelige gevolgen voor de samenwerking op het gebied van terugkeer. Nu de de facto autoriteiten van Somaliland bezwaar maken tegen openbaarmaking, zal die de betrekkingen tussen beide partijen op het terrein van terugkeer schaden.

5. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd omdat de staatssecretaris heeft nagelaten met concreet bewijs of verifieerbare informatie te motiveren dat Somaliland bezwaar heeft tegen de openbaarmaking van het MoU en wat dat bezwaar van Somaliland tegen de openbaarmaking in materiële zin inhoudt. In de gedingstukken en het MoU heeft de rechtbank daarvoor in onvoldoende mate relevante aanknopingspunten kunnen vinden. Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat de gemachtigde van [verzoeker] vertrouwelijk het MoU heeft mogen inzien en dat in de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2009 in zaak nr. 200906871/1 een samenvatting van het MoU is opgenomen. De staatssecretaris heeft voor de motivering van zijn besluit niet kunnen verwijzen naar die uitspraak en het feit dat de Afdeling daarin de beperkte kennisneming van het MoU gerechtvaardigd heeft geacht op grond van artikel 8:29 van de Awb, aldus de rechtbank.

6. De staatssecretaris heeft aangevoerd dat tijdens het totstandkomingsproces de autoriteiten van Somaliland uitdrukkelijk hebben verzocht het MoU niet openbaar te maken en dat hij dat uitvoerig heeft gemotiveerd. Concreet bewijs of verifieerbare informatie die dat standpunt ondersteunen is volgens de staatssecretaris niet vereist. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek heeft aangenomen wat betreft de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

6.1. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van het MoU. Het MoU is een niet juridisch bindend gentlemens agreement dat ervoor moet zorgen dat de terugkeer van uitgeprocedeerde vreemdelingen beter verloopt.

Met de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob wordt blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 34) beoogd te voorkomen dat de wettelijke plicht tot het verstrekken van informatie tot gevolg zou hebben dat de Nederlandse internationale betrekkingen schade zouden lijden. Voor toepassing van deze bepaling is voldoende dat men als gevolg van het verschaffen van informatie voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Deze concreetheid kan er uit bestaan dat aan Nederland uitdrukkelijk te verstaan is gegeven, dat op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende documenten wordt gerekend, aldus de wetsgeschiedenis.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201006133/1) kan uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf volgen dat die voor de andere staat vertrouwelijk is. Gezien de aard en de inhoud van het MoU en in aanmerking genomen de situatie in de regio, is de Afdeling van oordeel dat de staatssecretaris daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten van Somaliland uitdrukkelijk hebben verzocht het MoU niet openbaar te maken. De staatssecretaris heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de openbaarmaking een verslechtering van de betrekkingen met Somaliland is te voorzien en dat het belang bij goede betrekkingen met Somaliland zwaarder dient te wegen dan het belang van openbaarheid. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat de aard en inhoud van het MoU onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een deugdelijke motivering van het standpunt van de staatssecretaris.

Gezien het voorgaande behoeven de overige gronden geen bespreking.

7. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepsgrond beoordelen die de rechtbank onbesproken heeft gelaten.

8. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte heeft beroepen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob omdat Somaliland geen staat of internationale organisatie is.

8.1. Vaststaat dat Somaliland geen internationale organisatie is. De vraag dient daarom te worden beantwoord of de de facto autoriteit een staat is dan wel daarmee op één lijn is te stellen.

In de Wob is het begrip staat niet gedefinieerd en ook in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wob is niet opgenomen wat daaronder moet worden verstaan.

In 1991 heeft Somaliland zich onafhankelijk verklaard van de rest van Somalië. Sindsdien beschikt het over een bevolking, een grondgebied en de facto autoriteiten. Gezien deze feiten is de Afdeling van oordeel dat Somaliland voor de toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob, op één lijn is te stellen met een staat. De minister mocht zich derhalve beroepen op deze bepaling.

9. Het beroep van [verzoeker] is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 december 2011 in zaak nr. 11/136;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2013

290.