Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201209524/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 augustus 2012, kenmerk PZH-2012-345553997, heeft het college het door de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: de verenigde vergadering) op 28 maart 2012 vastgestelde projectplan "Dijkversterking Krimpen" goedgekeurd.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 3:15
Algemene wet bestuursrecht 3:16
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/209

Uitspraak

201209524/1/R4.

Datum uitspraak: 4 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling Gouda en omstreken, gevestigd te Gouda, de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling IJssel en Lek, gevestigd te Capelle aan den IJssel, en de stichting Stichting Groene Hart, gevestigd te Woerden (hierna tezamen en in enkelvoud: de Natuurhistorische vereniging),

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VolkerWessels Vastgoed B.V., gevestigd te Amersfoort, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beleggingsmaatschappij Noach B.V., gevestigd te Sliedrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: VolkerWessels),

7. [appellante sub 7A], gevestigd te [plaats], en [appellante sub 7B], gevestigd te [plaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 7]),

en

1. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college),

2. de staatssecretaris van Economische Zaken Landbouw en Innovatie (thans: Economische Zaken),

3. het college van burgemeester en wethouders van Nederlek,

4. het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2012, kenmerk PZH-2012-345553997, heeft het college het door de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: de verenigde vergadering) op 28 maart 2012 vastgestelde projectplan "Dijkversterking Krimpen" goedgekeurd.

Het college heeft daarnaast bij besluit van 29 mei 2012 een vergunning verleend voor het uitvoeren van ontgrondingswerkzaamheden ten behoeve van de in het projectplan voorziene dijkversterking.

De staatssecretaris heeft bij besluit van 25 mei 2012 een ontheffing verleend van de in de artikelen 8, 9 en 11 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) neergelegde verboden voor de in dit besluit genoemde soorten.

Het college van burgemeester en wethouders van Nederlek en het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel hebben bij besluiten van 30 mei 2012 onderscheidenlijk 8 mei 2012 ten behoeve van de uitvoering van het projectplan omgevingsvergunningen verleend voor de in deze besluiten genoemde activiteiten.

De uitvoeringsbesluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

[appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3], de Natuurhistorische vereniging, [appellant sub 5], VolkerWessels en [appellante sub 7] hebben beroep ingesteld.

Het college, de staatssecretaris, het college van burgemeester en wethouders van Nederlek en het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel hebben verweerschriften ingediend.

De verenigde vergadering heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 3] en de Natuurhistorische vereniging hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2013, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde]; [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. E.W.J. de Groot, advocaat te Breda, en [gemachtigde]; de Natuurhistorische vereniging, vertegenwoordigd door ir. P. Werksma; [appellant sub 5], bijgestaan door R. Brouwer; VolkerWessels, vertegenwoordigd door J.W. Hendriks, M.C. Langerak en L. Prinsenberg; [appellante sub 7], vertegenwoordigd door [gemachtigde]; zijn verschenen. Voorts zijn daar als verweerders gehoord het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.G. van Hintum en O.J.H. Bongers, werkzaam bij het college; de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman, werkzaam bij het Ministerie; het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederlek, vertegenwoordigd door mr. A.D. Bouwman-van Blarkom en A. Visser, werkzaam bij de gemeente; en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Kroes, werkzaam bij de gemeente. Tevens was aanwezig, de verenigde vergadering, onder meer vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman, A. Leenders en ir. M. Loos, werkzaam bij het hoogheemraadschap.

Buiten bezwaren van de andere partijen hebben de Natuurhistorische vereniging en VolkerWessels en [appellante sub 7] ter zitting nog stukken ingediend.

Overwegingen

1. Het projectplan voorziet in de versterking van zes dijktrajecten in de gemeenten Krimpen aan den IJssel en Nederlek. Op deze zes trajecten voldoet de dijk momenteel niet aan de in artikel 2.2, eerste lid, van de Waterwet in samenhang bezien met bijlage 2 bij deze wet gestelde veiligheidsnorm met een overschrijdingskans van 1/2000 per jaar.

Intrekking

2. Het betoog dat Werksma niet bevoegd zou zijn om de Natuurhistorische vereniging te vertegenwoordigen, heeft het college ter zitting ingetrokken.

Ontvankelijkheid

Het beroep van de Natuurhistorische vereniging, voor zover ingesteld door de Natuurhistorische vereniging, afdeling IJssel en Lek

3. Het college betwist de ontvankelijkheid van het beroep van de Natuurhistorische vereniging, afdeling IJssel en Lek, omdat zij volgens hem geen zienswijze tegen het projectplan en de gecoördineerde uitvoeringsbesluiten heeft ingediend.

3.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij het college. De Natuurhistorische vereniging, afdeling IJssel en Lek, heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld door de belanghebbende die tegen de ontwerpen van het projectplan en de uitvoeringsbesluiten tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is de Afdeling niet gebleken. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door de Natuurhistorische vereniging aangevoerde omstandigheid dat uit de bekendmaking van het ontwerp van het besluit niet direct volgde dat het projectplan invloed heeft op het Stormpoldervloedbos. Uit de bekendmaking kon zij immers wel afleiden dat de in het projectplan voorziene ontwikkelingen in haar werkgebied plaatsvinden. Naar het oordeel van de Afdeling kan van de Natuurhistorische vereniging, afdeling IJssel en Lek, worden verwacht dat zij zich op de hoogte stelt van ontwikkelingen die plaatsvinden in haar werkgebied en de mogelijke effecten daarvan.

Het beroep van de Natuurhistorische vereniging, voor zover dat is ingesteld door de Natuurhistorische vereniging, afdeling IJssel en Lek, is niet-ontvankelijk.

Het beroep van de Natuurhistorische vereniging, voor zover ingesteld door de Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken

4. Het college en het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel stellen zich op het standpunt dat de Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de bestreden besluiten, nu haar territoriale doelstelling onvoldoende is begrensd.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

4.2. De Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken, heeft volgens artikel 2 van haar statuten als doel het vermeerderen van de kennis van de natuur in de ruimste zin en het verbreiden van deze kennis; het aankweken van de belangstelling voor en liefde tot de natuur, in de eerste plaats onder haar leden doch ook buiten de vereniging en het bijdragen aan de natuur- en landschapsbescherming in de ruimste zin. Het werkgebied van de Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken, omvat volgens artikel 1, vijfde lid, van de statuten de provincie Zuid-Holland en Utrecht. De vereniging streeft blijkens artikel 3 van de statuten haar doel na door onder meer het organiseren van excursies en lezingen, het organiseren van kampen en reizen, het doen houden van voordrachten en demonstraties en het oprichten en instandhouden van werkgroepen.

4.3. De Afdeling volgt het college niet in zijn standpunt dat het werkgebied van de Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken, zo veelomvattend is dat dit onvoldoende onderscheidend werkt om een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang aan te kunnen nemen. Gelet op de statutaire doelstelling, zowel in functionele als in territoriale zin, in samenhang bezien met haar feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat de Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken, door de bestreden besluiten rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De Natuurhistorische vereniging, afdeling Gouda en omstreken, is dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Het beroep van de Natuurhistorische vereniging, voor zover ingesteld door de Stichting

5. Het college en het college van burgemeester en wethouders van Krimpen aan den IJssel brengen naar voren dat de Stichting niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de bestreden besluiten. Haar territoriale doelstelling strekt zich volgens hen namelijk niet uit tot het Stormvloedpolderbos, voor aantasting waarvan de Stichting vreest.

5.1. De Stichting heeft volgens artikel 2 van haar statuten het doel de bescherming en het duurzame behoud van de cultuur-, natuur-, landschaps- en milieuwaarden van het Groene Hart in hun onderlinge samenhang, met aandacht voor de leef-, en woonomgeving van de bewoners van het Groene Hart en voor de bijdrage die de agrarische sector daaraan kan leveren. Het werkgebied van de Stichting is het Nationaal Landschap Het Groene Hart, zoals omschreven in de Nota "Ruimte" van het Rijk uit het jaar 2005, en in samenhang daarmee de daaromheen gelegen stedelijke randgebieden. De Stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het stimuleren van de volgende activiteiten: het geven van voorlichting, het beïnvloeden van beleid, het zoeken van samenwerkingsmogelijkheden, het uitbrengen van adviezen en de ondersteuning van derden.

5.2. Het plangebied en het Stormpoldervloedbos, voor aantasting waarvan de Stichting vreest, liggen op een dusdanig geringe afstand van het Groene Hart, dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze vallen buiten het werkgebied van de Stichting, dat het Groene Hart en in samenhang daarmee de daaromheen gelegen stedelijke randgebieden omvat. Gelet hierop en gelet op haar feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat de Stichting, door de bestreden besluiten rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De Stichting is dan ook belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Dijktraject 1

Het beroep van [appellante sub 2]

6. In beroep voert [appellante sub 2] aan dat zij zich niet kan verenigen met de in het projectplan voorziene verlegging van de dijk naar de oevers van de Sliksloot. Zij heeft echter geen concrete bezwaren tegen deze keuze naar voren gebracht. Het door haar aangevoerde bezwaar over de opzegging van de huurovereenkomst door de gemeente Krimpen aan den IJssel, is in deze procedure niet aan de orde omdat die opzegging het bereik van het bestreden besluit te buiten gaat.

Het beroep van [appellante sub 3]

7. [appellante sub 3], leverancier van zand, grond, sier- en verhardingsproducten, betoogt dat dat zij door de dijkverlegging in haar bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden zal worden beperkt. In dit verband wijst zij erop dat haar percelen aan de Lekdijk en de Zellingstraat in Krimpen aan den IJssel worden doorsneden door de nieuw aan te leggen dijk, waardoor ook het bruikbaar oppervlak van de percelen wordt verkleind. Zij vreest voorts dat de bereikbaarheid van haar bedrijfspercelen over het water als indirect gevolg van de dijkverlegging wordt beperkt. [appellante sub 3] stelt dat de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke aanleg van een verbinding tussen haar verschillende bedrijfspercelen en van een extra laad- en loskade geen doorgang meer kunnen vinden. Het college heeft hier in de belangenafweging volgens haar ten onrechte geen rekening mee gehouden. Verder betoogt [appellante sub 3] dat onvoldoende is verzekerd dat haar bedrijf bereikbaar blijft tijdens de uitvoering van het projectplan.

7.1. Het college brengt naar voren dat [appellante sub 3] ook na de aanleg van de nieuwe dijk nog over voldoende gronden voor haar bedrijfsvoering kan beschikken. Met de door [appellante sub 3] gewenste ontwikkelingen heeft het college geen rekening gehouden, omdat deze ontwikkelingen volgens hem ook zonder de aanleg van de nieuwe dijk feitelijk niet uitvoerbaar waren geweest. Om belemmeringen ten aanzien van de bereikbaarheid van haar bedrijfsperceel tijdens de uitvoering zoveel mogelijk te voorkomen, zal de aannemer zijn werkzaamheden met [appellante sub 3] afstemmen.

7.2. [appellante sub 3] heeft twee bedrijfspercelen aan de Lekdijk in eigendom, waarvan één met een laad- en loskade die grenst aan de Sliksloot. Daarnaast beschikt zij over een bedrijfsperceel aan de Slikslootstraat en een bedrijfsperceel aan de Zellingstraat. [appellante sub 3] is eigenaar van deze twee percelen, behoudens een gedeelte van het perceel aan de Zellingstraat dat direct grenst aan de Sliksloot. Dit gedeelte huurt [appellante sub 3] van de gemeente Krimpen aan den IJssel. [appellante sub 3] kan de bedrijfspercelen aan de Slikslootstraat en de Zellingstraat bereiken via de Lekdijk.

Als gevolg van de aanleg van de nieuwe dijk zullen een deel van de percelen van [appellante sub 3] aan de Lekdijk en (het grootste deel van) het perceelsdeel dat [appellante sub 3] van de gemeente huurt, niet langer beschikbaar zijn voor haar bedrijfsvoering. [appellante sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de bedrijfsvoering zoals die plaatsvond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit door deze omstandigheid niet kan voortzetten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de verschillende bedrijfspercelen ook na uitvoering van het projectplan bereikbaar blijven via de Lekdijk. Voor zover [appellante sub 3] vreest dat de bereikbaarheid van haar bedrijfspercelen over het water wordt beperkt, overweegt de Afdeling dat zij deze vrees niet nader heeft onderbouwd.

7.3. [appellante sub 3] heeft het voornemen om haar bedrijfsvoering uit te breiden. Met het oog daarop heeft zij de bedrijfspercelen aan de Zellingstraat en de Sliksloot aangekocht. [appellante sub 3] wenst haar bedrijfspercelen met elkaar te verbinden via het perceel van [appellante sub 2] aan de Zellingstraat en ter hoogte van haar bedrijfsperceel aan de Zellingstraat een extra laad- en loskade aan te leggen. Vast staat dat deze wens als gevolg van de dijkverlegging geen doorgang meer kan vinden.

Naar ter zitting is gebleken, waren de plannen van [appellante sub 3] ten tijde van het nemen van het bestreden besluit weliswaar concreet, maar waren er enkele omstandigheden die aan uitvoering van deze plannen in de weg stonden. Zo had [appellante sub 3] nog geen overeenstemming met [appellante sub 2] bereikt over een grondruil waarbij [appellante sub 3] de eigendom zou verkrijgen van het perceel van [appellante sub 2] aan de Zellingstraat. [appellante sub 3] was evenmin eigenaar van de gronden waar de extra laad- en loskade aan zou moeten komen te liggen. Bovendien stond de bestemming "Waterstaatdoeleinden" die in het bestemmingsplan aan deze gronden is gegeven, in de weg aan de ontwikkeling van een laad- en loskade op deze plaats. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de uitbreidingsplannen van [appellante sub 3].

7.4. Wat betreft het betoog van [appellante sub 3] dat de bereikbaarheid van haar bedrijf tijdens de uitvoering van het projectplan onvoldoende is verzekerd, overweegt de Afdeling als volgt. Naar onweersproken door de verenigde vergadering is gesteld, zal de aannemer een nautisch- en verkeersplan opstellen waarbij bereikbaarheid van omwonenden en bedrijven het uitgangspunt zal zijn. De aannemer zal volgens de verenigde vergadering in overleg treden met [appellante sub 3] om af te stemmen hoe de werkzaamheden op of nabij haar bedrijfspercelen kunnen worden uitgevoerd met zo min mogelijk beperkingen voor de bereikbaarheid. Voor eventuele schade die desondanks optreedt als gevolg van de uitvoering van het projectplan, kan [appellante sub 3] zich wenden tot het hoogheemraadschap. Een waarborg dat geen beperkingen voor de bereikbaarheid van het bedrijf van [appellante sub 3] optreden, heeft het college onder deze omstandigheden in navolging van de verenigde vergadering, niet noodzakelijk hoeven achten.

Het beroep van de Natuurhistorische vereniging

projectplan

8. De Natuurhistorische vereniging kan zich evenmin verenigen met de in het plan voorziene dijkverlegging. In dit verband voert zij aan dat de dijkverlegging meer negatieve effecten op de omgeving zal hebben dan het in de milieueffectrapportage beschouwde alternatief, dat in een versterking van de bestaande dijk voorziet, onder meer vanwege het ruimtebeslag van de in het projectplan voorziene dijkverlegging. Daarnaast vreest de Natuurhistorische vereniging voor schadelijke effecten die de dijkverlegging volgens haar zal hebben op de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Volgens de Natuurhistorische vereniging is onvoldoende inzichtelijk welke effecten de dijkverlegging zal hebben op het in de EHS aanwezige zomerklokje. Daarnaast voert zij in dit verband aan dat ten onrechte niet is getoetst aan het zogenoemde "Nee, tenzij"-principe uit de Provinciale Structuurvisie 2020. Tot slot betoogt de Natuurhistorische vereniging dat bij de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met alle betrokken belangen, waaronder die van [appellante sub 2] en [appellante sub 3].

8.1. Het college stelt zich in navolging van de verenigde vergadering op het standpunt dat de trajectkeuze zoals voorzien in het projectplan zijn grondslag vindt in een zorgvuldige afweging tussen alle relevante milieubelangen. Ook de belangen van [appellante sub 3] en [appellante sub 2] zijn daar volgens hem bij betrokken.

8.2. Ten aanzien van dijktraject 1 is een milieueffectrapportage opgesteld, waarin het referentiealternatief is vergeleken met alternatief 1A, waarbij de dijk wordt versterkt door middel van een diepwand/combiwand in de parallelkade, en het uiteindelijk gekozen alternatief 1B, waarbij de dijk wordt verlegd naar de oevers van de Sliksloot. Ten behoeve van dit laatste alternatief zal voorts een aanpassing worden gedaan aan het jachthaventerrein aan de oostzijde van dit nieuwe traject, zal de bocht van de Sliksloot worden afgesneden ter hoogte van de noordoostpunt van het Stormpoldervloedbos en zal een stortstenen oever worden aangelegd om dit bos te beschermen tegen oevererosie. Alternatief 1B is door de verenigde vergadering als voorkeursalternatief aangemerkt.

8.3. Uit paragraaf 11.5.3 van het milieueffectrapport (hierna: MER) volgt dat alternatief 1B op het aspect ruimtebeslag sterk negatief scoort. Dit is volgens het MER een gevolg van het feit dat de nieuw aan te leggen dijk de bedrijfspercelen van [appellante sub 3] en [appellante sub 2] zal doorkruisen en voor een deel over het jachthaventerrein zal lopen. Uit paragraaf 11.4.1 van het MER volgt dat alternatief 1B, als de beoogde mitigerende en compenserende maatregelen buiten beschouwing worden gelaten, ook op het aspect EHS sterk negatief scoort, omdat de noordoostpunt van het als EHS aangewezen Stormpoldervloedbos in dit alternatief wordt omgezet in water. De milieueffecten van alternatief 1B zijn nader uitgewerkt in het EHS Compensatieplan Dijkversterking Krimpen van 18 april 2012, dat is aangevuld met een notitie over het zomerklokje van 13 juli 2012. De Natuurhistorische vereniging heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de milieueffecten voor de EHS, onvoldoende is geweest. De Afdeling ziet in hetgeen de Natuurhistorische vereniging heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de effecten op de EHS en de daarin voorkomende soorten nog groter zijn, dan in voornoemde documenten beschreven. Evenmin bestaat er aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het MER heeft mogen baseren.

8.4. Het zogenoemde "Nee, tenzij"-principe, waar de Natuurhistorische vereniging naar verwijst, houdt volgens paragraaf 4.8.4.1. van de Structuurvisie en artikel 5, vierde lid, van de Provinciale verordening Ruimte in dat in de EHS geen nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen zijn toegestaan die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. Uit het MER en het EHS compensatieplan leidt de Afdeling af dat het college zich in het kader van het voorliggende plan aan het "Nee, tenzij"-principe gebonden acht. Anders dan de Natuurhistorische vereniging stelt, heeft er een toets aan het "Nee, tenzij"-principe plaatsgevonden. Deze toets is beschreven in hoofdstuk 4 van het EHS compensatieplan. In het kader van deze toets is beoordeeld of er sprake is van een groot openbaar belang en of er reële alternatieven voorhanden zijn. In paragraaf 4.4.1 van het EHS compensatieplan staat over het groot openbaar belang vermeld dat het bestaande dijktraject 1 niet voldoet aan de in artikel 2.2, eerste lid, van de Waterwet in samenhang bezien met bijlage 2 bij deze wet gestelde veiligheidsnorm van een overschrijdingskans van 1/2000 per jaar. Als de dijkverlegging als voorzien in alternatief 1B niet plaatsvindt, dan kan een overstroming optreden met grote maatschappelijke en economische schade tot gevolg. In paragraaf 4.4.2. is onder verwijzing naar het MER onderbouwd waarom alternatief 1A niet kan worden aangemerkt als reëel alternatief voor de dijkverlegging als voorzien in alternatief 1B. In dit verband staat in deze paragraaf vermeld dat voor versterking van de dijk nauwelijks ruimte beschikbaar is en dat versterking van de dijk mogelijk zal leiden tot schade aan (niet onderheide) woningen die op en naast de bestaande dijk staan. Daarnaast zal tijdens de uitvoering van de dijkversterking hinder voor omwonenden ontstaan en zal de weg over de dijk in die periode moeten worden afgesloten voor het verkeer. Voor alternatief 1A bestaat, mede om deze redenen, minder draagvlak dan voor alternatief 1B. Bovendien is het beheer en onderhoud van de bestaande dijk na dijkversterking lastiger en duurder dan bij een nieuwe dijk, aldus paragraaf 4.4.2 van het EHS compensatieplan. Onder voornoemde omstandigheden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat met de dijkverlegging een groot openbaar belang is gemoeid en dat er geen reëel alternatief voor de dijkverlegging voorhanden is.

8.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6 en 7 is overwogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellante sub 2] en [appellante sub 3] en heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de verenigde vergadering voor de dijkverlegging als voorzien in alternatief 1B.

Ontheffing Ffw

9. De Natuurhistorische vereniging richt zich in beroep tevens tegen de door de staatssecretaris verleende ontheffing van artikel 8 van de Ffw voor het zomerklokje, omdat de gunstige staat van instandhouding van het zomerklokje volgens haar in gevaar komt. De staatssecretaris heeft volgens haar de effectiviteit van het overplaatsen van de zomerklokjes overschat. Voorts voert de Natuurhistorische vereniging aan dat schade aan het zomerklokje met het treffen van mitigerende maatregelen zou kunnen worden voorkomen.

9.1. Doordat de zomerklokjes worden overgezet naar een andere geschikte locatie en het plangebied na de werkzaamheden weer geschikt zal zijn als groeiplaats, komt de gunstige staat van instandhouding van de zomerklokjes niet in geding, aldus de staatssecretaris.

9.2. Ingevolge artikel 8 van de Ffw is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.

Ingevolge artikel 75, derde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het voornoemde verbod. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover thans van belang, worden ontheffingen slechts verleend wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

9.3. Het hoogheemraadschap heeft een aanvraag gedaan voor een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Ffw van het in artikel 8 neergelegde verbod voor onder meer het zomerklokje. Bij zijn aanvraag voor de ontheffing heeft het hoogheemraadschap het Activiteitenplan Dijkversterking Krimpen van 20 oktober 2011 gevoegd. In dit Activiteitenplan is het onderzoek beschreven dat in 2011 is uitgevoerd naar mogelijk in het plangebied voorkomende beschermde soorten en de mogelijke effecten op deze soorten als gevolg van het plan. De aanvraag is aangevuld met een notitie van 18 november 2011 en een notitie van 7 april 2012 waarin staat waar het zomerklokje voorkomt. Ook laatstgenoemde notitie is door de staatssecretaris bij zijn besluitvorming betrokken. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen geen verschil van inzicht meer bestaat over de locaties waar de zomerklokjes groeien.

9.4. De staatssecretaris heeft de aangevraagde ontheffing van het in artikel 8 neergelegde verbod onder het stellen van voorschriften verleend. De aan de ontheffing verbonden voorschriften 7 tot en met 12 zien in het bijzonder op het zomerklokje. In artikel 8 van deze voorschriften staat, voor zover thans van belang, dat in het plangebied aanwezige exemplaren van het zomerklokje vóór aanvang van de werkzaamheden en buiten het bloeiseizoen van de soort zorgvuldig uitgegraven en direct overgezet dienen te worden in een geschikt biotoop in de directe omgeving van het plangebied, echter buiten de verstorende invloedssfeer van het project. Ter zitting is toegelicht dat de in het plangebied aanwezige zomerklokjes in overeenstemming met dit voorschrift zullen worden overgezet naar een gebied waar nu ook al zomerklokjes groeien. In hetgeen de Natuurhistorische vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de staatssecretaris dat de overgeplaatste zomerklokjes het daar goed zullen doen. Voorts is niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat er voor de staatssecretaris een noodzaak bestond om andere of aanvullende mitigerende maatregelen voor te schrijven.

9.5. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gunstige staat van het zomerklokje niet in gevaar komt. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de ontheffing niet mocht worden verleend.

Dijktraject 2

Het beroep van [appellant sub 5]

10. [appellant sub 5] richt zich in beroep tegen het besluit tot goedkeuring van het projectplan, voor zover dat ziet op drie van zijn aan de dijk gelegen percelen ter hoogte van de [locatie 1] en [locatie 2] te Krimpen aan de Lek. Hij kan zich er niet mee verenigen dat ter hoogte van zijn percelen een erosiescherm op de dijk zal worden aangebracht. Volgens hem had voor het gehele traject moeten worden voorzien in een diepwand. Hij wijst in dit verband op voordelen die het plaatsen van een diepwand volgens hem biedt. Zo kan een diepwand volgens hem trillingsvrij en geluidarm worden geplaatst en hoeft minder afstand te worden aangehouden tot de belendende percelen.

10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het vanuit een kostenperspectief maatschappelijk niet verantwoord is om een diepwand ter hoogte van de percelen van [appellant sub 5] aan te leggen. Verder stelt het college dat de erosieschermen trillingsvrij worden aangebracht door middel van drukken, zodat niet voor schade aan de omliggende panden hoeft te worden gevreesd. Bovendien zal de plaatsing van een erosiescherm niet meer geluidoverlast geven dan plaatsing van een damwand, aldus het college.

10.2. In het kader van de voorbereiding van het projectplan is onderzoek gedaan naar de macrostabiliteit van dijktraject 2. Volgens pagina 146 van het projectplan zijn er binnen dit dijktraject drie deeltrajecten te onderscheiden waar deze macrostabiliteit onvoldoende is om aan de zogenoemde hydraulische randvoorwaarden van het jaar 2060 te voldoen. Dit betreffen de drie deeltrajecten 2a, 2c en 2e. De overige drie deeltrajecten, de trajecten 2b, 2d en 2f, voldoen hier volgens het in het projectplan vermelde onderzoek wel aan. [appellant sub 5] heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat het onderzoek op dit punt onjuist is.

De percelen van [appellant sub 5] grenzen aan de trajecten 2d en 2e. Volgens pagina 147 van het projectplan schiet de vereiste macrostabiliteit in dijktraject 2e weliswaar tekort, maar slechts in beperkte mate. Op dit traject kan de stabiliteit worden vergroot door het toepassen van een binnendijkse versterking in de grond, zodat het aanbrengen van een diepwand ter plaatse niet nodig is. Voor dijktraject 2d zijn in het geheel geen maatregelen als binnendijkse versterking of plaatsing van een diepwand nodig, omdat de macrostabiliteit van dit dijktraject voldoende is.

In de buitenkruinen van de dijktrajecten 2d en 2e zullen blijkens pagina 148 van het projectplan erosieschermen worden aangebracht. Deze schermen beogen te voorkomen dat gebouwen aan de buitendijkse zijde die bezwijken, een gat slaan in de kern van de dijk. Het aanbrengen van erosieschermen is niet nodig, als de door [appellant sub 5] gewenste diepwanden wordt aangebracht. Het college heeft gelet op de kosten van het aanbrengen van diepwanden in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de verenigde vergadering om geen diepwanden maar erosieschermen te plaatsen. [appellant sub 5] heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat de stelling van het college dat de erosieschermen trillingsarm kunnen worden aangebracht, onjuist is. Voorts heeft hij geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de stelling van het college dat de geluidbelasting niet hoger zal zijn dan bij het graven van een diepwand.

11. [appellant sub 5] betoogt dat de eigendomsverwerving van delen van zijn percelen door het hoogheemraadschap, zoals in het projectplan is voorzien, niet noodzakelijk is. Daarnaast voert hij aan dat ten onrechte niet is verzekerd dat hij de desbetreffende delen weer terug kan huren of pachten. [appellant sub 5] vreest ook dat hij de uitrit van zijn perceel naar de Noord niet langer kan gebruiken.

11.1. Het college stelt zich in navolging van de verenigde vergadering op het standpunt dat een rationeel, onbelemmerd en ongestoord beheer van en een optimale beschikkingsbevoegdheid over de primaire waterkering uitsluitend te realiseren is wanneer de waterkering in eigendom is van het hoogheemraadschap. De gronden die zijn verworven, kunnen in beginsel door [appellant sub 5] opnieuw worden gehuurd, aldus het college.

11.2. Voor de uitvoering van het projectplan zal het hoogheemraadschap delen van de percelen van [appellant sub 5] in eigendom verwerven. Welke delen dit precies zijn, volgt uit de grondaantekeningen, die als bijlage 5 en 6 bij het projectplan zijn gevoegd.

Het hoogheemraadschap hanteert als uitgangspunt dat bij dijkversterkingen de gronden binnen het dijkversterkingsprofiel worden aangekocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 juni 2006 in zaak nr. 200505623/1 is dit uitgangspunt op zichzelf niet onredelijk, aangezien aannemelijk is dat hiermee de uniformiteit en continuïteit bij versterkingen en de duurzaamheid van de waterkering het beste is gewaarborgd. Voorts volgt de Afdeling het college in zijn standpunt dat hiermee een optimaal beheer van de waterkering wordt gewaarborgd. [appellant sub 5] heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat het college wat betreft de percelen van [appellant sub 5] niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de keuze van de verenigde vergadering om aan voormeld uitgangspunt vast te houden.

11.3. De gronden die het hoogheemraadschap in eigendom verwerft, kunnen door de voormalige eigenaar opnieuw worden gehuurd. De verenigde vergadering heeft te kennen gegeven dat het huren van deze gronden alleen wordt geweigerd om waterstaatkundige redenen of indien er wordt gehandeld in strijd met de Keur. Ter zitting heeft de verenigde vergadering toegezegd dat alle in- en uitritten, dus ook die van [appellant sub 5], na uitvoering van het projectplan weer worden aangelegd. Een waarborg hiervoor in het projectplan, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling niet noodzakelijk hoeven achten.

12. Vanwege vrees voor schade aan zijn gebouwen betoogt [appellant sub 5] dat ten onrechte niet in een eenduidige regeling voor de schadevergoeding is voorzien. Daarnaast voert hij aan dat het college ten onrechte geen inzicht heeft in de kosten van schadevergoedingen en nadeelcompensatie. [appellant sub 5] twijfelt om die reden aan de economische uitvoerbaarheid van het plan.

12.1. Het college stelt dat veel aandacht wordt besteed aan het voorkomen en beperken van uitvoeringsschade aan nabijgelegen panden. Schade die ondanks deze voorzorgsmaatregelen optreedt, zal worden vergoed, aldus het college.

12.2. De schade die [appellant sub 5] vreest aan zijn gebouwen, is een vorm van schade die als direct gevolg van de uitvoering van het projectplan kan ontstaan. In artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet is voorzien in een regeling voor vergoeding van deze vorm van schade. Deze regeling is uitgewerkt in de Nadeelcompensatieverordening van Schieland en de Krimpenerwaard 2011. Gelet op de inhoud van deze regelingen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet in een afdoende schaderegeling is voorzien.

12.3. Voor zover [appellant sub 5] zich zorgen maakt over de wijze waarop de bepaling van de hoogte van de schade plaatsvindt, merkt de Afdeling op dat namens het college ter zitting is medegedeeld dat een onafhankelijke deskundige een vooropname bij de gebouwen van [appellant sub 5] heeft verricht en zettingsboutjes heeft geplaatst, zodat schade als gevolg van de uitvoering van het projectplan kan worden gemeten. Na uitvoering van de werkzaamheden zal een onafhankelijke deskundige een eindopname verrichten, aldus het college.

12.4. Ten aanzien van het betoog over de economische uitvoerbaarheid, overweegt de Afdeling als volgt. In de stukken, waaronder het goedkeuringsbesluit zelf, is uitdrukkelijk aandacht besteed aan het mogelijk optreden van deze schade als gevolg van de uitvoering van het projectplan en de vergoeding daarvan. De mogelijke verplichting tot schadevergoeding is dus in de besluitvorming betrokken. Gelet hierop en nu [appellant sub 5] geen nadere onderbouwing van zijn betoog naar voren heeft gebracht, bestaat geen aanleiding om aan de economische uitvoerbaarheid van het projectplan te twijfelen.

Dijktrajecten 5A tot en met 6

Het beroep van [appellante sub 1]

13. [appellante sub 1] richt zich in beroep tegen het besluit tot vaststelling van het projectplan. Volgens haar heeft het college de schade die zij heeft geleden als gevolg van het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een watervergunning ten onrechte niet in zijn besluitvorming betrokken.

13.1. Het college stelt dat de door [appellante sub 1] aangevoerde belangen verband houden met het door haar gestelde onzorgvuldig handelen van het hoogheemraadschap in een andere procedure. Het heeft in die belangen dan ook geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden.

13.2. De schade die [appellante sub 1] stelt te hebben geleden, houdt - onbetwist - verband met het besluit van het dagelijks bestuur van het hoogheemraadschap van 28 september 2011 tot verlening van een watervergunning. De gestelde schade houdt geen verband met de in het projectplan voorziene dijkversterking. Het college heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om met deze mogelijke schade in zijn besluitvorming rekening te houden.

De beroepen van VolkerWessels en [appellante sub 7]

14. VolkerWessels en [appellante sub 7] betogen dat hun belangen onvoldoende zijn betrokken in de belangenafweging met betrekking tot de versterking van de dijktrajecten 5A tot en met 6. In dit verband wijzen zij erop dat de versterking van deze dijktrajecten zoals in dit plan voorzien negatieve gevolgen heeft voor hun vergevorderde woningbouwplannen op de betrokken gronden. Zij vrezen dat de gewenste woningbouw na de realisering van het projectplan niet meer in zijn geheel kan worden gerealiseerd. VolkerWessels en [appellante sub 7] betogen dat zij er gelet op de status van het plangebied als experimentele bouwlocatie en op de samenwerkingsovereenkomst die zij in 2010 met de gemeente Nederlek hebben gesloten, op hebben mogen vertrouwen dat hun woningbouwplannen doorgang zouden kunnen vinden.

Ter zitting hebben VolkerWessels en [appellante sub 7] te kennen gegeven dat hun beroepen zich tot deze gronden beperken.

14.1. Het college stelt dat voor de in het projectplan voorziene wijzen van versterking van de dijktrajecten 5A tot en met 6 is gekozen na een zorgvuldige belangenafweging. Aan het belang van VolkerWessels en [appellante sub 7] is geen doorslaggevend gewicht toegekend, omdat voor hun woningbouwplannen nog geen planologische basis bestond, aldus het college.

14.2. In het projectplan is ten behoeve van de dijktrajecten 5A en 5B voorzien in versterking van de dijk in overeenstemming met de "kort door de bocht"-variant, waarbij de dijk buitenwaarts in de grond wordt versterkt zodat de kruin 30 meter naar buiten komt te liggen. Hierdoor veranderen de loop en verschijningsvorm van deze dijktrajecten. Dijktraject 6 zal in de grond en buitendijks worden versterkt. VolkerWessels en [appellante sub 7] zullen als gevolg van de voorziene dijkversterkingen 10 à 15% van de gronden die zij voor woningbouw wensen te ontwikkelen, niet langer daarvoor kunnen gebruiken. Het is voor hen noodzakelijk om hun plannen als neergelegd in de door hen opgestelde stedenbouwkundige visie, eventueel na uitvoering van nieuwe planologische onderzoeken, aan te passen. Aannemelijk is dat dit voor VolkerWessels en [appellante sub 7] extra kosten met zich brengt.

14.3. Volgens de toelichting op het projectplan is de variant "kort door de bocht" vergeleken met de variant "verhoogde parallelkade". In laatstgenoemde variant zal een damwand worden aangebracht in de binnenkruin van de dijk en zal de parallelkade worden verhoogd. Deze variant brengt volgens de plantoelichting minder gevolgen voor de loop en verschijningsvorm van de dijk met zich dan de variant "kort door de bocht". De variant "kort door de bocht" is volgens de toelichting op het projectplan evenwel robuuster op de lange termijn en beduidend beter te beheren dan de variant "verhoogde parallelkade". De "kort door de bocht" variant scoort ook beter op het beoordelingsaspect woon- en leefklimaat, omdat de variant "verhoogde parallelkade" een grotere kans op schade aan bebouwing en hinder tijdens de aanleg van de damwand met zich brengt. Ten slotte is de variant "kort door de bocht" volgens de toelichting aanzienlijk goedkoper. De buitendijkse versterking van traject 6 is volgens de plantoelichting beter te beheren dan de eveneens in het kader van de voorbereiding van het projectplan beschouwde binnendijkse variant.

Uit de door VolkerWessels en [appellante sub 7] overgelegde stukken leidt de Afdeling af dat de woningbouwplannen van VolkerWessels en [appellante sub 7] tijdens de voorbereiding van het projectplan bekend waren bij de verenigde vergadering. Voor deze plannen was op dat moment en ook ten tijde van de goedkeuring van het projectplan evenwel nog niet voorzien in een juridisch-planologische regeling. In de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Dorp 1981" en "IHC-terrein Krimpen" zijn aan de betrokken gronden bestemmingen voor bedrijfsdoeleinden en water alsmede de dubbelbestemming "Primair waterstaatsdoeleinden" toegekend welke bestemmingen aan de gewenste woningbouw in de weg staan. Aan het door Volker Wessels en [appellante sub 7] ter zitting overgelegde verslag van een bijeenkomst van 8 maart 2012 kan niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat aan de woningbouwplannen onverkort uitvoering zou worden gegeven, reeds omdat daarin staat dat het dijkontwerp uit het projectplan de basis is voor verdere uitwerking.

Onder voornoemde omstandigheden heeft het college in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de verenigde vergadering om bij de vaststelling van het projectplan geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de belangen van VolkerWessels en [appellante sub 7].

Conclusie

15. In hetgeen is aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het projectplan niet in redelijkheid heeft kunnen goedkeuren. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het goedkeuringsbesluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond. Gelet hierop behoeft het betoog van het college en de verenigde vergadering dat artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet gedeeltelijk aan de vernietiging van de besluiten in de weg staat geen bespreking.

Proceskostenveroordeling

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling Gouda en omstreken, de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling IJssel en Lek, en de stichting Stichting Groene Hart, niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend door de vereniging Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, afdeling IJssel en Lek;

II. verklaart de beroepen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Duursma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2013

378-589.