Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201203933/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 7 juni 2010 heeft de korpsbeheerder [appellant] informatie verstrekt met betrekking tot het aantal politieambtenaren dat bij de aanhouding van [appellant] en tien andere personen op 8 augustus 2009 te Nieuw-Scheemda was ingezet en de kosten die met die politie-inzet waren gemoeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203933/1/A3

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 maart 2012 in zaak nr. 11/949 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de regiopolitie Groningen (thans: de korpschef van politie).

Procesverloop

Bij brief van 7 juni 2010 heeft de korpsbeheerder [appellant] informatie verstrekt met betrekking tot het aantal politieambtenaren dat bij de aanhouding van [appellant] en tien andere personen op 8 augustus 2009 te Nieuw-Scheemda was ingezet en de kosten die met die politie-inzet waren gemoeid.

Bij besluit van 19 juli 2011 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en een verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij uitspraak van 6 maart 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de afwijzing van het verzoek op grond van de Wob ingestelde beroep met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.E. Bosman, advocaat te Arnhem, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. A.E.L. Weistra, werkzaam bij de politie Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. De Kameradschaft in het Noorden heeft op 8 augustus 2009 een barbecueavond georganiseerd in Nieuw-Scheemda. Die avond is beëindigd door de inzet van politie op basis van een noodbevel door de burgemeester van Scheemda. [appellant] en tien andere personen zijn bij die gelegenheid gearresteerd wegens het niet opvolgen van het noodbevel.

3. [appellant] heeft de korpsbeheerder bij brief van 6 mei 2010 verzocht om informatie met betrekking tot die politie-inzet op 8 augustus 2009 te Nieuw-Scheemda. [appellant] wenste informatie te ontvangen over de hoeveelheid politie die op die avond is ingezet en de kosten die hiermee zijn gemoeid.

De korpsbeheerder heeft [appellant] bij brief van 7 juni 2010 informatie verstrekt met betrekking tot het aantal politieambtenaren dat bij de aanhouding van [appellant] en tien andere personen op 8 augustus 2009 te Nieuw-Scheemda is ingezet en de kosten die met die politie-inzet zijn gemoeid. De korpsbeheerder heeft daarbij medegedeeld dat [appellant] zich voor meer informatie tot de officier van justitie diende te wenden.

Bij brief van 30 juni 2011 heeft [appellant] tegen die brief van 7 juni 2010 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 juli 2011 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het in de brief van 30 juni 2011 vervatte verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wob afgewezen. [appellant] heeft tegen de in het besluit van 19 juli 2011 vervatte afwijzing van het verzoek op grond van de Wob beroep bij de rechtbank ingesteld.

4. De korpsbeheerder heeft aan de in het besluit van 19 juli 2011 vervatte afwijzing van het verzoek op grond van de Wob ten grondslag gelegd dat onder de korpsbeheerder geen document berust waarin de omvang en de kosten van de politie-inzet bij de beëindiging van een barbecueavond op 8 augustus 2009 te Nieuw-Scheemda zijn vastgelegd en dat een dergelijk document rechtens ook niet behoeft te worden opgesteld.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet ongeloofwaardig heeft geacht dat de door hem verzochte schriftelijke gegevens niet bij de korpsbeheerder voorhanden zijn en ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder die gegevens niet kon verstrekken.

Hij acht het onwaarschijnlijk dat de door hem gevraagde informatie niet kan worden afgeleid uit een of meer bij de politie beschikbare documenten, nu bij de beëindiging van de barbecueavond een groot aantal agenten betrokken was. De korpsbeheerder heeft volgens [appellant] ten onrechte niet gemotiveerd waarom de verzochte informatie niet beschikbaar is. Evenals in het hier aan de orde zijnde Wob-verzoek waren in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de Afdeling van 20 januari 2010 in zaak nr. 200904252/1 en 3 februari 2010 in zaak nr. 200902823/1, Wob-verzoeken bij de politie ingediend om informatie te verkrijgen over politie-inzet en politieoptreden. In beide zaken was de vraag aan de orde of de beschikbare informatie openbaar diende te worden gemaakt. Op grond van die uitspraken is het standpunt van de korpsbeheerder dat de verzochte informatie niet beschikbaar is onhoudbaar, aldus [appellant].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 22 augustus 2007 in zaak nr. 200701417/1) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust.

Niet is in geschil dat niet aannemelijk is dat de korpsbeheerder beschikt over een specifiek document waaruit blijkt hoeveel politie op de avond van 8 augustus 2009 is ingezet en wat de kosten hiervan zijn geweest en dat geen wettelijke verplichting bestaat om een dergelijk document op te stellen.

De korpsbeheerder heeft over andere documenten, waaruit de gevraagde informatie volgens [appellant] zou moeten kunnen worden afgeleid, op niet ongeloofwaardige wijze ontkend dat deze documenten onder hem berusten. Dat in de zaken die hebben geleid tot de hierboven aangehaalde uitspraken van 20 januari 2010 en 3 februari 2010 wel documenten zijn verstrekt maakt dat niet anders. De verzoeken in die zaken, die waren gericht aan andere politiekorpsen, waren zeer ruim geformuleerd en waren niet toegespitst op de vraag hoeveel politie er was ingezet en wat de kosten daarvan zijn geweest. In die zaken zijn geen documenten verstrekt waaruit blijkt hoeveel politie op die avond was ingezet en de kosten die daarmee waren gemoeid. [appellant] heeft ook anderszins geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de hierboven bedoelde documenten wel bestaan. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanwijzingen gevonden die kunnen dienen als onderbouwing voor het door [appellant] ingenomen standpunt dat de hierboven gemelde gegevens wel bij de korpsbeheerder voorhanden zouden zijn. Dat de korpsbeheerder niet heeft gemotiveerd waarom de door [appellant] verzochte informatie niet beschikbaar is, leidt niet tot een ander oordeel. De Wob voorziet niet in een verplichting om te motiveren waarom van de documentatie van gegevens in een concreet geval is afgezien.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht niet ongeloofwaardig geacht dat de door [appellant] verzochte documenten niet bij de korpsbeheerder voorhanden zijn en terecht geoordeeld dat de korpsbeheerder die documenten niet heeft kunnen verstrekken.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

280-748.