Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201204782/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 september 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het legaliseren van een omheining, mestsleuf en silo op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204782/1/A1.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Kampen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 april 2012 in zaak nr. 11/167 in het geding tussen:

[wederpartij a],[wederpartij b] en [wederpartij c], allen wonend te [woonplaats],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het legaliseren van een omheining, mestsleuf en silo op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 december 2010 heeft het college het door [wederpartij a] en [wederpartij b] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door [wederpartij c] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk.

Bij uitspraak van 3 april 2012 heeft de rechtbank het beroep, voor zover ingediend door [wederpartij c] ongegrond verklaard, voor zover ingediend door [wederpartij a] en [wederpartij b] gegrond verklaard, het besluit van 24 december 2010 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen op de door [wederpartij a] en [wederpartij b] gemaakte bezwaren. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij a], [wederpartij b] en [wederpartij c] hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluiten van 20 december 2012 heeft het college het door [wederpartij a] en [wederpartij b] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 januari 2013 hebben [wederpartij a] en [wederpartij b] tegen deze besluiten gronden aangevoerd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.L. Bogerd, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij a], [wederpartij b] en [wederpartij c], zijn verschenen. Tevens is verschenen [vergunninghouder].

Overwegingen

1. Ingevolge het bestemmingsplan "De Koekoek" rust op het perceel ter plaatse van de omheining van de paardenbak de bestemming

"Agrarisch gebied".

Ingevolge het bestemmingsplan "De Koekoek 14e wijziging ex artikel 11 WRO (Ringdijk)" rust op het perceel ter plaatse van de mestsleuf en silo de bestemming "Agrarisch bouwperceel II".

Ingevolge artikel 5, onder A, van het

bestemmingsplan "De Koekoek" zijn de als "Agrarisch gebied" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 5, onder B, mogen op de tot agrarisch gebied bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming.

Ingevolge artikel 4, onder A, van het bestemmingsplan

"De Koekoek 14e wijziging ex artikel 11 WRO (Ringdijk)" zijn de als

"Agrarisch bouwperceel II" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bedrijven met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en erven, met dien verstande dat aan bebouwing ten dienste van de intensieve veehouderij niet meer dan 100 m2 is toegestaan.

Ingevolge artikel 4, onder B, mogen op de tot agrarisch gebied II bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming.

Ingevolge artikel 1, onder n, van het bestemmingsplan

"De Koekoek" wordt onder agrarisch bedrijf een veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met uitzondering van een champignonkwekerij verstaan.

2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet ten dienste staat van een agrarisch bedrijf als bedoeld in de voorschriften van het bestemmingsplan "De Koekoek" en dat de bouwvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend. Volgens het college heeft de rechtbank miskend dat [vergunninghouder] een paardenfokkerij drijft. Voorts heeft de rechtbank miskend dat blijkens de plantoelichting onder agrarisch bedrijf ook een paardenhouderij wordt verstaan.

2.1. Niet in geschil is dat op het perceel slechts bouwwerken mogen worden gebouwd ten dienste van de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 januari 2012 in zaak nr. 201104014/1/A1 en uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201107066/1/A1 is een paardenfokkerij aan te merken als een agrarisch bedrijf, omdat een fokkerij is gericht op het voortbrengen van agrarische producten. Zoals eerder eveneens overwogen (uitspraak van 18 april 2012 in zaak nr. 201106938/1/A1), kan het africhten, trainen, opfokken en verkopen van ter plaatse op het perceel gefokte paarden worden beschouwd als behorende bij de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

2.2. Bij de aanvraag om bouwvergunning heeft [vergunninghouder] vermeld dat de bouwwerken zijn aangevraagd voor een manege. Hij heeft ter zitting van de rechtbank, daarnaar gevraagd, niet weersproken dat de reeds gerealiseerde bouwwerken in hoofdzaak worden gebruikt voor het trainen van paarden en daarnaast voor één fokpaard waarmee hobbymatig wordt gefokt, zoals hij eerder verklaarde tijdens de zitting van de rechtbank van 19 april 2011. De rechtbank heeft terecht op grond hiervan overwogen dat [vergunninghouder] ten tijde van het besluit van 24 december 2010 op het perceel een paardenhouderij met ondergeschikte nevenactiviteiten drijft. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college, in bezwaar noch in het verweerschrift in beroep, heeft toegelicht wat de aard en omvang is van het bedrijf dat [vergunninghouder] op het perceel voert.

Het betoog faalt.

2.3. Voor zover het college stelt dat artikel 1, onder n, van de planvoorschriften zo kan worden gelezen, dat een agrarisch bedrijf ook een bedrijf is dat gericht is op het houden van paarden, overweegt de Afdeling dat deze lezing onjuist is. Een agrarisch bedrijf als bedoeld in dat voorschrift, moet, gelet op de daarin omschreven categorieën van agrarische bedrijven, gericht zijn op het voortbrengen van producten. Een paardenhouderij is dat niet, nu daarin het houden van paarden voorop staat. Het planvoorschrift is voldoende duidelijk, zodat geen reden bestaat om de plantoelichting te betrekken bij de uitleg van het begrip agrarisch bedrijf. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bouwvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Bij gelijkluidende besluiten van 20 december 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, het door [wederpartij a] en [wederpartij b] tegen het besluit van 29 september 2010 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 29 september 2010 in stand gelaten. Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24, eerste lid, gelezen in verbinding met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), geacht voorwerp van dit geschil te zijn. Voor [wederpartij a] en [wederpartij b] is van rechtswege een beroep tegen deze besluiten ontstaan, nu daarbij niet aan hun bezwaren is tegemoetgekomen. Voor [wederpartij c] is geen beroep van rechtswege ontstaan nu de rechtbank zijn beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar ongegrond heeft verklaard en hij daartegen geen hoger beroep heeft ingesteld.

5. [wederpartij a] en [wederpartij b] betogen dat het niet aannemelijk is dat [vergunninghouder] op het perceel een paardenfokkerij drijft. Zij wijzen er daartoe onder meer op dat [vergunninghouder] een bouwvergunning heeft aangevraagd voor een paardenhouderij, hetgeen in strijd is met de agrarische bestemming.

5.1. In de besluiten van 20 december 2012 heeft het college overwogen dat gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden. Ten tijde van deze besluiten worden op het perceel bedrijfsmatig paarden gefokt, aldus het college. Het college stelt daartoe dat zich op het perceel twee fokpaarden bevinden die drachtig zijn, een veulen van de eigen fok, een driejarige merrie en twee tweejarige paarden waarvan een merrie en een ruin. De merries worden ingezet als fokpaard. De twee paarden voor de sport zijn een ondergeschikte nevenactiviteit bij de paardenfokkerij.

5.2. Hierbij heeft het college niet onderkend dat de aanvraag is ingediend voor een manege, zijnde een paardenhouderij, en dat het standpunt dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, niet kan worden gemotiveerd met de stelling dat ten tijde van de besluiten van 20 december 2012 een paardenfokkerij wordt gedreven die wel in overeenstemming is met dat plan. Voor zover het college zich met de besluiten op het standpunt heeft gesteld dat [vergunninghouder] de aanvraag heeft gewijzigd in bouwwerken voor een paardenfokkerij, wordt overwogen dat het besluit van 29 september 2010, waarbij bouwvergunning is verleend op grondslag van de aanvraag van 7 juni 2010, niet in die zin is aangepast. Voorts zou met een dergelijke aanpassing de grondslag van de aanvraag zijn verlaten, nu de wijziging van het met de bouwwerken beoogde gebruik in paardenfokkerij niet als van ondergeschikte aard kan worden aangemerkt. Op grond van de aanvraag van 7 juni 2010 kan daarvoor geen vergunning worden verleend, maar zal een nieuwe aanvraag ingediend moeten worden.

Het betoog slaagt.

6. Hetgeen [wederpartij a] en [wederpartij b] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen nadere bespreking.

7. Het beroep van [wederpartij a] en [wederpartij b] tegen de besluiten van 20 december 2012 zijn gegrond. Deze besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartij a] en [wederpartij b] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Kampen van 20 december 2012, kenmerk 12uit18458 en kenmerk 12uit18456, gegrond;

III. vernietigt deze besluiten;

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Kampen een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kampen tot vergoeding van bij [wederpartij a] en [wederpartij b] in verband met de behandeling van het beroep tegen deze besluiten opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 178,16 (zegge:

honderdachtenzeventig euro en zestien cent).

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

374-761.