Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207121/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2010 heeft de Belastingdienst de definitief toegekende kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over 2006 herzien vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207121/1/A2.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juni 2012 in zaak nr. 11/7774 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2010 heeft de Belastingdienst de definitief toegekende kinderopvangtoeslag van [wederpartij] over 2006 herzien vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 23 augustus 2011 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en dat van 1 september 2010 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2013, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, en [wederpartij], bijgestaan door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) kan de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming herzien, indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

2. [wederpartij] heeft op 1 juni 2007 om toekenning van kinderopvangtoeslag met ingang van 1 januari 2006 verzocht.

Bij besluit van 25 augustus 2007 is het voorschot kinderopvangtoeslag over 2006 bepaald op € 6.780.00.

Bij besluit van 11 juli 2008 is het voorschot over 2006 herzien tot € 866.00.

Bij besluit van 2 mei 2009 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag over 2006 definitief op € 885,00 vastgesteld.

Aan het besluit van 1 september 2010 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat de gastouder pas per 13 juni 2007 over een verklaring omtrent het gedrag beschikte.

Bij brieven van 20 april en 6 juni 2011 heeft de Belastingdienst [wederpartij] om aanvullende informatie verzocht ten aanzien van de kinderopvang over 2006.

Bij het besluit van 23 augustus 2011 heeft de Belastingdienst het besluit van 1 september 2010 gehandhaafd, maar de grondslag ervan in de zin gewijzigd, dat [wederpartij] desgevraagd geen geldige overeenkomst heeft toegezonden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst de voor het jaar 2006 toegekende kinderopvangtoeslag niet met toepassing van artikel 21, eerste lid, van de Awir, mocht herzien. Volgens haar waren er geen voor de Belastingdienst nieuwe feiten en is evenmin aangetoond dat [wederpartij] wist of behoorde te weten dat hij teveel kinderopvangtoeslag ontving.

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat [wederpartij] wist of behoorde te weten dat de opvang om aanleiding voor toeslag te kunnen vormen op basis van een schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau dient plaats te vinden en de toeslag een bijdrage in de kosten is. Nu [wederpartij] voor 2006 geen overeenkomst met het gastouderbureau heeft overgelegd en hij evenmin de kosten van de opvang aannemelijk heeft gemaakt, had hij geen aanspraak op toeslag. Of [wederpartij] wist of behoorde te weten dat hij teveel kinderopvangtoeslag ontving, diende volgens de Belastingdienst voorts niet beoordeeld te worden naar de toestand van 2007, maar naar die van het moment van de toekenning van de tegemoetkoming. Ook heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat de Belastingdienst in de mogelijke onoirbare praktijken van het gastouderbureau aanleiding heeft gezien om tot herziening van de vaststelling te besluiten.

De rechtbank heeft volgens de Belastingdienst ten slotte miskend dat artikel 21 van de Awir er niet aan in de weg staat dat de Belastingdienst ook na vaststelling van de tegemoetkoming nog informatie opvraagt en de vaststelling herziet, indien niet aan de in de wet voor het toekennen van toeslag gestelde vereisten wordt voldaan.

4.1. Met het besluit van 2 mei 2009 heeft de aan [wederpartij] toegekende kinderopvangtoeslag over 2006 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitieve toekenning te herzien zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. De Belastingdienst heeft aan de herziening artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, ten grondslag gelegd.

De vraag of [wederpartij] wist, dan wel behoorde te weten dat de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is vastgesteld, diende niet te worden beoordeeld naar de toestand van het jaar waarop de toeslag ziet, maar naar die van het moment, waarop de definitieve tegemoetkoming werd vastgesteld. Voorts staat de Awir er niet aan in de weg dat de Belastingdienst na de definitieve vaststelling nog om gegevens en inlichtingen vraagt met het oog op de eventuele uitoefening van de bij artikel 21 aan de dienst toegekende bevoegdheid. Het was ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir echter aan de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat [wederpartij] ten tijde van de definitieve vaststelling wist of behoorde te weten dat de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag was toegekend. Daarin is de dienst niet geslaagd. Dat [wederpartij] na de vaststelling desgevraagd niet meer aannemelijk heeft kunnen maken dat hij een schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau heeft gesloten en een eigen bijdrage in de kosten voor kinderopvang heeft voldaan, is hiertoe onvoldoende.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Belastingdienst dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij de [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

47-756.