Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201208475/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/473
JOM 2013/437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208475/1/A2.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant] ), wonend te [woonplaats], gemeente Rijssen-Holten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 juli 2012 in zaak nr. 10/1258 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders Rijssen-Holten.

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraken van 11 januari 2012 en 25 april 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om de in die tussenuitspraken geconstateerde gebreken te herstellen. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Bij brief van 21 mei 2012 heeft het college zich op het standpunt gesteld, voor zover hier van belang, dat [appellant] recht heeft op een planschadevergoeding van € 4.000,00 exclusief wettelijke rente vanaf 18 februari 2008.

Bij uitspraak van 18 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 7 oktober 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien door aan [appellant] een planschadevergoeding toe te kennen van € 4.000,00 exclusief wettelijke rente. Voorts heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door C. van Bart, werkzaam voor de gemeente Rijssen-Holten, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) volgt dat zij, nu zij het besluit op bezwaar heeft vernietigd en zelf in de zaak heeft voorzien, ook het primaire besluit van 29 april 2009 had moeten herroepen.

1.1. Hoewel de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het besluit van 29 april 2009 uitdrukkelijk te herroepen, kan het betoog van [appellant] niet tot het daarmee beoogde doel leiden. De rechtbank heeft in haar beslissing vermeld op welke wijze zij zelf in de zaak voorziet en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daarmee moet de rechtbank geacht worden het besluit van 29 april 2009 te hebben herroepen.

Het betoog faalt.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen recht heeft op schadevergoeding, omdat de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM het gevolg zou zijn van zijn processuele houding tijdens de bezwaarprocedure. In dat kader voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij zich tijdens de bezwaarprocedure coöperatief heeft opgesteld, en dat de overschrijding het gevolg is van de behandeling van de zaak door het college.

2.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (onder meer het arrest van 27 juni 2000 inzake Frydlender tegen Frankrijk, zaak nr. 30979/96, AB 2001, 86 en het arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006, 134).

2.2. In zaken zoals deze, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar in beginsel ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in 2.1 genoemde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven een verlenging van de redelijke termijn gerechtvaardigd te achten.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 4 maart 2009 in zaak nr. 200804799/1, vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. In gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, dient de rechtbank daarover op basis van de voormelde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling.

2.4. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 29 april 2009 is door het college op 9 juni 2009 ontvangen. Nu de uitspraak van de rechtbank dateert van 18 juli 2012, heeft de totale procedure in bezwaar en in eerste aanleg langer dan drie jaar geduurd. De behandelingsduur in beroep is niet te lang, nu deze minder dan twee jaar bedraagt. Wel is de behandelingsduur in bezwaar te lang, nu deze behandeling ruim één jaar en vier maanden heeft geduurd.

2.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat de processuele houding van [appellant] tijdens de bezwaarfase met zich brengt dat voor het toekennen van schadevergoeding als gevolg van deze overschrijding geen aanleiding bestaat. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellant] schriftelijk heeft ingestemd met de verdaging van het besluit op bezwaar op 19 oktober 2009 teneinde het college de gelegenheid te bieden om een tweede deskundigenadvies te laten opstellen. Voorts heeft [appellant], naar aanleiding van het in dit verband opgestelde advies, verzocht om opnieuw te worden gehoord, waardoor het besluit op bezwaar wederom is verdaagd, aldus de rechtbank.

2.6. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank miskend dat de vertraging niet door de houding van [appellant] is veroorzaakt, maar door de behandeling van de zaak door het college. De Afdeling overweegt daartoe het volgende. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie van 17 september 2009 volgt dat het deskundigenadvies dat aan het besluit van 29 april 2009 ten grondslag was gelegd gebreken bevatte, hetgeen het college ook had erkend, waardoor het college bij het nemen van dat besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel had gehandeld en een tweede deskundigenadvies noodzakelijk was om deze gebreken te herstellen. De vertraging die in de besluitvorming is opgetreden door het laten opstellen van dat tweede deskundigenadvies was dan ook niet te wijten aan de houding van [appellant] , maar aan de onzorgvuldige voorbereiding door het college van het besluit van 29 april 2009. De bezwaarprocedure is verder vertraagd doordat het college het besluit op bezwaar pas drie maanden na het advies van de bezwaarschriftencommissie van 16 juli 2010 aan [appellant] heeft verstuurd.

Dat [appellant] naar aanleiding van het tweede deskundigenadvies, dat wederom aan de bezwaarschriftencommissie is voorgelegd, gebruik heeft gemaakt van zijn recht om nogmaals door die commissie te worden gehoord, kan hem niet worden tegengeworpen.

Gelet op het vorenoverwogene en nu voorts niet is gebleken dat op enige andere grond een verlenging van de redelijke termijn gerechtvaardigd is te achten, heeft de rechtbank ten onrechte geen schadevergoeding toegekend.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding als gevolg van schending van de redelijke termijn is afgewezen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, uitgaande van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, op de voet van artikel 8:73 van de Awb het college veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan [appellant] als vergoeding van de door hem als gevolg van de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Almelo van 18 juli 2012 in zaak nr. 10/1258, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding als gevolg van schending van de redelijke termijn is afgewezen;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten om aan [appellanten] te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten aan [appellanten] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

47-752.