Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7593

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201207095/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2011 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207095/1/V6.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 juli 2012 in zaak nr. 11/2014 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2011 heeft de minister het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te Sittard, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Van een serieuze verdenking is onder meer sprake indien tegen de verzoeker een strafzaak wegens misdrijf openstaat. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich mee dat een serieuze verdenking ter zake van een misdrijf irrelevant is.

De verzoeker mag in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenaamde rehabilitatietermijn) niet onderworpen zijn geweest aan sanctionering van een misdrijf of aan de gevolgen daarvan. Daarbij is niet van belang:

a. of het misdrijf aan de strafrechter is voorgelegd en door een strafrechter bewezen is verklaard. Een misdrijf is ook relevant, indien de strafvervolging nog loopt, of als het misdrijf (buiten de strafrechter om) is afgesloten met bijvoorbeeld een transactie of als terzake van het misdrijf een strafbeschikking is uitgevaardigd, of als de strafzaak nog openstaat.

Daarnaast is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan niet met toepassing van artikel 10 van de RWN worden afgeweken.

De Handleiding vermeldt voorts dat niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoel in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Niet in geschil is dat ten tijde van belang tegen [appellant] een strafzaak openstond ter zake van een misdrijf.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem aangevoerde omstandigheden door de strafrechter bij diens beoordeling moeten worden betrokken en dat het geen omstandigheden zijn waaraan bij het opstellen van de regels in de Handleiding niet of onvoldoende kon worden gedacht. Hij voert daartoe aan dat hij geen omstandigheden heeft aangevoerd die bijdroegen tot het plegen van het misdrijf, maar dat hij heeft gesteld dat de strafrechtelijke verdenking jegens hem onterecht was en dat die verdenking is ontstaan na onzorgvuldig onderzoek in de strafrechtelijke procedure. Hij wijst daartoe op de omstandigheid dat hij medische en psychische problemen heeft en de Nederlandse taal niet goed beheerst. Hij betoogt dat bij het opstellen van de Handleiding de situatie dat in de strafrechtelijke procedure onzorgvuldig wordt gehandeld niet is voorzien.

4.1. De beoordeling of het onderzoek in de strafrechtelijke procedure onzorgvuldig is geweest, is aan de strafrechter, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Ten tijde van het besluit van 20 oktober 2011 was sprake van een strafrechtelijke verdenking jegens [appellant], zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ernstige vermoedens zijn dat [appellant] een gevaar voor de openbare orde vormt. De rechtbank heeft tevens terecht overwogen dat in de Handleiding is verdisconteerd dat, indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens niet hebben geleid tot een sanctie, deze omstandigheid bij verdere behandeling van de procedure zal worden betrokken. Nu [appellant] na de aangevallen uitspraak is vrijgesproken in de strafrechtelijke procedure, staat het hem vrij een nieuw verzoek om verlening van het Nederlanderschap in te dienen. Bij de beoordeling daarvan zal, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft bevestigd, deze strafrechtelijke verdenking hem niet worden tegengeworpen.

De omstandigheden dat [appellant] medische en psychische problemen heeft en dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst, zijn - voor zover dit geen omstandigheden zouden zijn die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf - niet zodanig bijzonder in de zin van de Handleiding dat de staatssecretaris hem ten tijde van belang niet heeft kunnen tegenwerpen dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

164-692.