Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ7589

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
201112704/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2009 heeft de Belastingdienst de voor [wederpartij] voor het jaar 2007 vastgestelde kinderopvangtoeslag herzien vastgesteld op € 2.288,00 en € 2.202,00 van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201112704/1/A2.

Datum uitspraak: 3 april 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 oktober 2011 in zaak nr. 10/4056 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2009 heeft de Belastingdienst de voor [wederpartij] voor het jaar 2007 vastgestelde kinderopvangtoeslag herzien vastgesteld op € 2.288,00 en € 2.202,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 november 2010 heeft de Belastingdienst de definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag 2007 herzien vastgesteld op € 2.694,00.

Bij uitspraak van 26 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 21 oktober 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, dat van 30 mei 2009 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door haar vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2013, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) kan de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming herzien, indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

2. [wederpartij] heeft op 15 oktober 2007 een aanvraag om toekenning van toeslag ingediend voor de kosten van kinderopvang door bemiddeling van [gastouderbureau] met ingang van 1 augustus 2007.

Bij besluit van 31 december 2007 heeft de Belastingdienst [wederpartij] € 4.410,00 aan voorschot toegekend.

Op 18 november 2008 heeft [wederpartij] op een verzoek om informatie van de Belastingdienst gereageerd.

Bij besluit van 18 april 2009 heeft de Belastingdienst het over 2007 toegekende voorschot op € 4.410,00 gesteld.

Bij besluit van 28 april 2009 heeft de Belastingdienst de toeslag over dat jaar definitief vastgesteld op € 4.490,00.

Bij het besluit van 30 mei 2009 heeft de Belastingdienst dat besluit herzien met als ingangsdatum 15 oktober 2007 en de toeslag vastgesteld op € 2.288,00. Aan dit besluit heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat de vereiste verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) pas op 26 oktober 2007 is afgegeven.

Bij het besluit van 9 november 2010 heeft de Belastingdienst 1 oktober 2007 als ingangsdatum aangemerkt. De rechtbank heeft dit besluit als uitwerking van dat van 21 oktober 2010 beschouwd.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst ten onrechte niet, voorafgaand aan de toekenning, aan [wederpartij] heeft gemeld dat de VOG van de gastouder ontbrak en dit consequenties zou hebben voor de aanspraak op kinderopvangtoeslag.

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat [wederpartij] wist of behoorde te weten dat de door haar met het gastouderbureau gesloten overeenkomst volgens die overeenkomst eerst ingaat, wanneer het bureau een VOG van de gastouder heeft ontvangen.

In artikel 4 van deze overeenkomst is, onder het opschrift "start van de overeenkomst", vermeld: "VO [vraagouder] verklaart zich akkoord dat registratie van de opvanguren pas officieel kan starten, wanneer er een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG) van de gastouder in bezit is van [GOB]. VO erkent dat [GOB] geen enkele verantwoordelijkheid en/of aansprakelijkheid aanvaardt ten aanzien van hetgeen VO en de gastouder onderling rechtstreeks overeenkomen, zoals bijvoorbeeld - doch niet beperkt tot - op het gebied van de opvang c.q. verzorging van het kind/ de kinderen of een eerdere startdatum van de opvang." Uit deze passage volgt dat eerst opvang krachtens de overeenkomst plaatsvindt, wanneer het gastouderbureau over de VOG van de gastouder beschikt. Nu [wederpartij] deze overeenkomst heeft gesloten, wist of behoorde zij te weten, dat pas opvang op grond van de overeenkomst zou plaatsvinden nadat het gastouderbureau de VOG van de gastouder zou hebben ontvangen, aldus de Belastingdienst.

5. Met het besluit van 28 april 2009 heeft de aan [wederpartij] toegekende kinderopvangtoeslag over 2007 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitieve tegemoetkoming te herzien zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. De Belastingdienst heeft aan de herziening artikel 21, eerste lid, aanhef, onder b, ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat die bepaling daarvoor geen grondslag biedt, omdat de Belastingdienst niet aannemelijk heeft gemaakt dat [wederpartij] wist of behoorde te weten dat de definitieve tegemoetkoming tot een te hoog bedrag was vastgesteld. Dat uit de overeenkomst met het gastouderbureau volgt dat de gastouder over een VOG moest beschikken en [wederpartij] wist dat de overeenkomst pas na ontvangst door het gastouderbureau van de VOG van de gastouder de beoogde werking zou hebben, betekent niet dat zij wist of behoorde te weten dat de VOG niet eerder dan op 26 oktober 2007 was afgegeven en de definitieve tegemoetkoming bij het besluit van 28 april 2009 wegens het ontbreken van de verklaring tot die dag te hoog was vastgesteld.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2013

47-756.